Joodse gezinnen - Old Reurle

Historische Vereniging
"OLD REURLE"
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Joodse gezinnen

Personen

Jan Oonk


Het lot van de Joodse inwoners van Ruurlo


Lo Wijler en Reina Johanna Wijler-Kropveld

Als de Duitsers op 10 mei 1940 ons land binnen vallen telt Ruurlo vijf Joodse ingezetenen. Daaronder Salomon Israël (Lo) Wijler en zijn vrouw Reina Johanna Kropveld. Zij hebben hun manufacturenwinkel aan het begin van de Dorpsstraat, schuin tegenover Avenarius. Lo komt om in Mauthausen, zijn vrouw Reina duikt onder en weet de oorlog te overleven.

Lo Wijler is geboren op 11 november 1912 in Lochem, als zoon van de koopman/veehandelaar Abraham Levi Wijler en Mientje van Essen. De familie Wijler woont dan al meer dan een eeuw in Lochem en omdat vader Abraham Levi uit een gezin van negen kinderen komt telt de familienaam vele vertegenwoordigers. Van de acht oom en tantes van Lo komen er vijf om in Duitse vernietigingskampen, twee waren er al voor de oorlog overleden (net als zijn vader). Alleen oom Louis Wijler weet van dit gezin de oorlog te overleven, hij overlijdt in 1977 in Israël.
Lo heeft nog een oudere broer Samuel (Sam), geboren op 9 juli 1908. Deze heeft de oorlog overleeft, over de wijze waarop hebben we geen details kunnen achterhalen. Samuel trouwt later met Elisabeth Spetter en het gezin krijgt drie kinderen. Samuel overlijdt op 7 december 1982 in Soest.
Reina Johanna wordt op 12 november 1913 geboren in Beilen, als jongste van de zes kinderen van Jacob Abraham Kropveld en Rebekka Cohen. Van de aan het begin van de oorlog nog levende vijf kinderen komen er twee om in Auschwitz, de overige drie overleven de holocaust, waaronder Reina Johanna.

Razzia aan de Dorpsstraat
Lo Wijler wordt opgepakt op de vroege morgen van 8 oktober 1941, wanneer de Sicherheitspolizei in Arnhem in deze regio zijn eerste razzia uitvoert tegen de Joden. Ook in andere plaatsen in de Achterhoek (onder andere Borculo en Lochem) worden die dag Joodse burgers opgepakt. Een aantal van de ingerekende mannen wordt de volgende dag weer op vrije voeten gesteld, maar daar is Lo Wijler helaas niet bij. Hij wordt met een aantal anderen (waaronder de godsdienstleraar Hartog Noot en de slager Izak Spanjer uit Borculo) afgevoerd naar Mauthausen, een berucht werkkamp met steengroeve in Oostenrijk. Later wordt het een regelrecht vernietigingskamp. Volgens zijn inschrijvingskaart in Mauthausen arriveert Wijler daar op 11 oktober 1941. Dat betekent dat hij kort na zijn arrestatie al op transport moet zijn gesteld.
Over wat zich bij de arrestatie op 8 oktober 1941 precies heeft afgespeeld is zestig jaar na dato niet meer in alle details duidelijkheid te krijgen. Het schouwspel wordt gadegeslagen door buren tegenover de winkel van Wijler en door een aantal scholieren die zich ter hoogte van Avenarius verzamelen voor hun dagelijkse fietstocht naar Groenlo. Dat betekent dat de inval moet hebben plaatsgevonden ergens rond zeven uur in de morgen, misschien al iets eerder. Naar wordt verteld waren bij de actie een stuk of acht Duitsers betrokken, met bajonetten op hun geweren. Hun overvalwagen stond geparkeerd voor hotel Avenarius, met daarin al een aantal eerder opgepakte arrestanten. De Duitsers hebben ook nog de hevig aangeslagen politieagent Sprokkereef opgetrommeld om bij de overval aanwezig te zijn.
Volgens Riek Breedveld-Dommerholt had men bij Wijler juist een bevriend echtpaar te logeren. De familie Dommerholt onderhield nauwe contacten met het echtpaar Wijler en Riek was toen 9 jaar. Het feit van de logees wordt door de meeste voormalige buren bevestigd. Het verhaal klopt ook, dat wil zeggen wat de hoofdlijnen betreft. In detail steekt het wat complexer in elkaar, zo wordt duidelijk uit het relaas van Johan Sanders in Amsterdam. Het waren zijn ouders die daar op dat moment verbleven, Bernard Sanders uit Enschede met zijn vrouw Josine. Maar met name Bernard was daar niet als logé, maar als onderduiker.

Bernard Sanders
Bernard Sanders is geboren op 4 oktober 1905 in Lochem, maar de familie Sanders verhuist al in 1906 naar Enschede. Daar trouwt Bernard in juli 1938 met Josine Caroline Felicia (roepnaam: Joop) Hijmans, afkomstig uit Amsterdam. In augustus 1939 wordt zoon Johan geboren (roepnaam Hans). Het echtpaar woont aan het begin van de oorlog in Enschede op het adres J.P. Sweelinckstraat 8. Bernard is dan als handelsreiziger in dienst bij de textielfabriek N.J. Menko in Enschede.
In de vroege ochtend van 14 september 1941 vindt een razzia plaats van de Duitsers in Enschede en andere plaatsen in Twente, de eerste in het oosten van ons land. Bernard Sanders is gewaarschuwd en weet de dans te ontspringen. Hij vertrouwt de situatie echter niet meer en zoekt een veilig onderkomen bij de familie Wijler in Ruurlo. Zijn vrouw en zoontje zijn waarschijnlijk in Enschede gebleven en mogelijk ingetrokken bij zwager Gerard (een broer van Bernard). Nog geen maand later, op 8 oktober, is de Achterhoek echter het toneel van een volgende razzia. Blijkbaar is Josine op dat moment juist bij haar man op bezoek. Van hun zoontje Johan is geen sprake, waarschijnlijk is die in Enschede bij zijn oom achtergebleven.
Als de Duitsers arriveren kruipen de vrouwen bij elkaar in bed, zo vertellen de buren, om de suggestie te wekken dat er geen mannen in huis zijn. Maar de Duitsers laten zich niet misleiden. Uit het feit dat ze vier ontbijtbordjes op tafel zien staan concluderen ze dat er geen twee maar vier personen aanwezig moeten zijn. Wat er zich binnen precies heeft afgespeeld is niet bekend, maar er breekt in ieder geval een hartverscheurend gekrijs uit. Van de vrouwen en mogelijk ook van Lo Wijler zelf als deze door de Duitsers wordt gevonden. Blijkbaar weet Lo aanvankelijk nog te ontsnappen, want getuigen zien hem door de voordeur de tuin instormen. Daar wordt hij getrapt en met geweerkolven geslagen door de Duitsers, zodanig dat sommigen dachten dat hij al bij zijn arrestatie was overleden. Volgens een enkele getuige had hij zijn arm uit de kom, maar dat lijkt onjuist. Nadat Lo gelegenheid heeft gekregen om zich aan te kleden komt hij naar buiten met een koffertje en op weg naar de overvalwagen geeft hij politieagent Sprokkereef nog een hand. Bernard Sanders wordt volgens zoon Johan gevonden op het balkon en wordt kort na Lo Wijler afgevoerd.

Laatste briefkaart
Dat het bij de tweede arrestant om Bernard Sanders gaat blijkt ook uit een briefkaart, zonder plaatsaanduiding en datum, die door een onbekende is verstuurd aan ‘Mevr. Wed. Joh. Avenarius, Ruurlo’. Dat is tegenover Wijler aan de overkant van de Dorpsstraat, blijkbaar heeft de schrijver het veiliger geacht om de kaart niet rechtstreeks naar Reina Wijler te sturen. De boodschap is echter wel aan haar gericht, er wordt gevraagd om ondergoed, handschoenen, truien en dergelijke op te sturen. “Voor Lo en voor B. Sanders”, wordt daarbij vermeld. “Ze houden zich heel flink. Maak u geen zorgen. Alles komt goed”, zo wordt nog heel optimistisch toegevoegd. Maar voor beide mannen komt het nooit meer goed. De briefkaart is waarschijnlijk verstuurd vanuit Arnhem, waar de opgepakte Joodse mannen in eerste instantie worden samengebracht.
Zoals gezegd blijkt uit zijn inschrijvingskaart dat Lo Wijler al op 11 oktober 1942 in Mauthausen is gearriveerd, in gezelschap van vele andere Joodse burgers die bij dezelfde actie elders in de Achterhoek zijn opgepakt. Al op 30 oktober 1941 komt Lo Wijler in Mauthausen om het leven. Spanjer (14 oktober, hersenschudding) en Noot (16 oktober, longontsteking) zijn hem dan al voorgegaan, evenals zijn vriend Bernard Sanders (17 oktober). Over de exacte doodsoorzaak van Lo Wijler en Bernard Sanders is niets genoteerd.
Josine Sanders-Hijmans wordt in de zomer van 1942 afgevoerd naar Kamp Westerbork. Van daaruit wordt ze later doorgezonden naar Bergen-Belsen, waar ze op 31 maart 1945 om het leven komt. Ze is er daarvoor nog wel in geslaagd om haar zoontje op een onderduikadres in veiligheid te brengen. Via de verzetsgroep van dominee Leendert Overduin wordt Johan ondergebracht bij het gezin van meester Ponsteen in Nijverdal en weet op die manier de oorlog te overleven. Een en ander wordt ook beschreven in het boek van H.W. Poorterman, ‘Van bezetting naar bevrijding’, over de oorlogsjaren in Nijverdal.
Na de oorlog, in augustus 1945, wordt Johan/Hans opgenomen in het gezin van zijn oom Ben (een andere broer van zijn vader, oom Gerard in Enschede is omgekomen) en tante Klaar in Amsterdam. Deze hebben echter zelf al een zoon met de roepnaam Hans, vandaar dat Johan/Hans vanaf dat moment een nieuwe roepnaam krijgt: Joop, naar zijn moeder. Joop trouwt later met Bettina Josephine Wolf en het echtpaar krijgt een zoon en een dochter.

Clandestien postkantoor
De jonge mevrouw Wijler blijft aanvankelijk wonen op de winkel aan de Dorpsstraat en zal, zo goed en kwaad als dat ging onder de steeds moeilijker omstandigheden, de winkelnering hebben voortgezet. Op haar eigen wijze neemt ze nog de handschoen op tegen de Duitsers. Met name wanneer in de nazomer van 1942 het voormalige werkkamp De Zomp wordt ingericht als verzamelkamp voor Joden, die als dwangarbeiders te werk worden gesteld in de bossen rond de Zelhemseweg en Hengeloseweg. Op last van de Duitse kampleiding mogen de Joodse bewoners slechts elke twee weken post versturen naar hun achtergebleven families, maar dat wordt omzeild doordat de winkel van Reina Wijler-Kropveld in die dagen fungeert als clandestien postkantoor. Hier ontvangt zij de post voor de bewoners van De Zomp en verstuurt ze omgekeerd berichten uit Ruurlo naar het bezorgde thuisfront. Als de Joodse dwangarbeiders ’s morgens haar huis passeren op weg naar hun werk glippen er telkens twee mensen even uit de rij om de post in ontvangst te nemen en retourpost af te leveren.
Het verhaal van het clandestiene postkantoor wordt onder meer beschreven in het boek ‘Ein Schwabe überlebt Auschwitz’ van de Duitse Jood Arnold Erlanger, die korte tijd op De Zomp was geïnterneerd. De exacte passage in het boek (blz. 46-47) luidt als volgt: “In Ruurlo lebte eine gewisse Frau Weijler-Kropveld. Wenn wir dort morgens gegen 7 Uhr vorbeimarschierten, schlichen sich unser Kapo Hess, ein deutscher Jude, sowie ein anderer Gefangener namens Süβkind in die Hütte der Frau und deponierten dort von uns geschriebene Briefe. Gleichzeitig holten sie Briefe, die Familien und Freunde uns an diese Adresse geschickt hatten. Der holländische Bundespolizist schaute derweil stets weg.”
Wie de Nederlandse politieagent was die de groep begeleidde en die telkens een oogje dichtkneep is niet bekend. Kapo is de benaming voor een Joodse medegevangene die door de Duitsers als blokhoofd over hun lotgenoten werd aangesteld.

Nog een getuige
Erlanger is niet de enige getuige die refereert aan het clandestiene postkantoor van Reina Wijler-Kropveld. Het werkkamp De Zomp telde namelijk nog een bewoner die de oorlog heeft overleefd en die zijn ervaring in boekvorm heeft vastgelegd. Het gaat om Hans N. Andriesse (‘Aan een zijden draad’, Meulenhoff, Amsterdam, 1978). Hij wordt aan het eind van de oorlog in een klein Joods werkkamp in het zuiden van Polen door de Russen bevrijd en behoorde na terugkomst in Nederland tot een van de eerste getuigen die door Lou de Jong worden gehoord over hun lotgevallen. Andriesse komt op 31 augustus 1942 aan op De Zomp en verblijft daar tot 2 november 1942, wanneer alle Joodse werkkampen in ons land worden gesloten en de geïnterneerde Joden worden afgevoerd naar Westerbork.
Ook Andriesse vermeld het postkantoor van Reina Wijler-Kropfeld. “Aan de rand van Ruurlo woont mevrouw Wijler-Kropveld. Haar huis ligt tegenover hotel Avenarius aan een kruising van wegen in de schaduw van lommerrijk geboomte. ’s Ochtends, als we zo tegen zevenen naar het werk marcheren, passeren we haar huis. Het werk bestaat uit het onder regie van de Heidemaatschappij verbeteren van het talud van de Achterhoekse bossen doorstromende Baakse beek, waarbij we meer op onze schoppen leunen dan ongetraind met een volgeladen kruiwagen over een plankenstraat balanceren. Vlak bij het huis van mevrouw Wijler gekomen lopen twee van ons groepje onder bescherming van de schemer van het groepje weg, de zijdeur in van het huis, leggen onze te verzenden brieven binnen neer en pikken een mand op waarin de naar dat adres gezonden pakjes en post van onze dierbaren zijn gedeponeerd. De voordeur van de textielwinkel uit, en in de schemer vloeit de mand met zijn dragers met het groepje samen, door de circa zestig man in hun midden koesterend en beschermend omsloten. Op het werk aangekomen wordt de inhoud verdeeld, de post gelezen, en verscholen onder de bomen worden de etenswaren op een vuurtje gewarmd en genuttigd. De opzichter van de Heidemaatschappij vindt alles goed, mits we maar niet onder de tien cent per uur komen, af te meten aan de hoeveelheid zand die wordt verzet. Hij is ook degene die ’s avonds de mand weer naar het huis terugbrengt.”

Verraad
Het clandestiene postkantoortje van Reina Wijler functioneert tot eind september 1942. De kampcommandant van De Zomp (een Nederlander waarvan we de naam niet hebben kunnen achterhalen) is dan net zoals Erlanger schrijft naar Ommen om ‘het behandelen van joden’ te leren. Erlanger suggereert dat Kapo Hess de zaak heeft verraden, omdat deze zich volgens hem juist deze dag ziek heeft gemeld. Erlanger heeft daarom diens plaats ingenomen naast Süβkind bij het ruilen van de post. Als ze terugkeren naar de groep worden ze opgewacht door de Duitse kampcommandant. “Durch Verrat erfuhr er (de kampcommandant), dass wir Briefe empfingen und schrieben, was strengstens verboten war. Unser illegales Postamt flog auf! Es geschah an einem Tag, an dem der Kamerad, der regelmäβig die Post holte, krank war und nicht zur Arbeit gehen konnte. Ich übernahm seine Aufgabe und machte mich mit Süβkind auf den Weg, die Post zu holen. Ehe wir zurück waren, tauchte unerwartet der Kommandant auf, beschimpfte uns als “Saujuden” und befahl, ins Lager zurückzukehren. Dort ordnete er an, Süβkind und mich ins KZ Erika in Ommen zu schicken.” Dat was geen loos dreigement want in Ommen was het regime nog een stuk onaangenamer dan in De Zomp. Dat blijkt maar al te goed uit het verdere relaas van Erlanger.
Volgens Andriesse is het de nachtwaker, die hen elke morgen op weg naar huis tegenkomt, die de plaatsvervangend commandant heeft getipt. “Nog zijn onze lotgenoten met de mand niet in ons midden teruggekeerd of van zijn schuilplaats achter de bomen springt de plaatsvervangend commandant te voorschijn, en een voorproefje gevend van wat ons in Duitsland te wachten staat, scheldt hij ons hard schreeuwend in het Duits uit voor alles wat in die tijd in die kringen gebruikelijk was.” Aan de dragers van de mand deelt hij rake klappen uit en ook Kapo Hess krijgt het zwaar te verduren. Anders dan bij Erlanger heeft deze zich dus niet ziek gemeld, maar is bij het gebeuren aanwezig.
Andriesse beschrijft ook dat de dragers van de mand met post de volgende dag worden afgevoerd naar Ommen. Hij spreekt van Lange en Süsskind, waarbij hij met Lange waarschijnlijk Erlanger bedoeld. Volgens Andriesse is het ook de bedoeling geweest dat Kapo Hess naar Ommen zou worden afgevoerd, maar deze is er ’s nachts tussenuit geknepen, net als twee andere gevangenen (de gebroeders Jacob en Benno Elkus uit Denekamp). Ook met behulp van politiehonden wordt hij niet opgespoord. Het is niet bekend wat er van hem is geworden, maar veel hoop op een goede afloop is er niet. Er is niets te vinden van een Hess die een spoor heeft nagelaten in relatie tot Ruurlo en De Zomp. De personen met de naam Hess die in aanmerking komen zijn alle omgekomen in Sobibor (4x) of Auschwitz (1x), zo leert een zoektocht via www.yadvashem.org. Intrigerend is nog een zesde persoon, Siegfried Hess, geboren in 1896 in Stuttgart, over wiens lot niets bekend is. Deze was destijds bedrijfsleider bij een confectiefabriek in Enschede. Maar volledige duidelijkheid valt er waarschijnlijk niet meer te krijgen.
Het verraad van het illegale postkantoortje is voor Reina Wijler-Kropveld waarschijnlijk de aanleiding geweest om onder te duiken. Eerst bij de familie Telkamp aan de Van Arkellaan, later bij de familie Vaandrig aan de Lebbenbruggedijk onder Borculo. Ze wacht niet lijdzaam af wat de Duitse bezetter met haar voorheeft, maar kiest ervoor om zelf het heft in handen te houden. De stoffen en het textiel uit haar winkel worden onder dekking van de duisternis naar de familie Dommerholt gesmokkeld. Als ze na de oorlog terugkeert op haar winkel in de Dorpsstraat zijn dat de eerste waren die ze weer te koop aan kan bieden. Ze hertrouwt na de oorlog met David Apotheker. Het echtpaar krijgt een zoon Lo en een dochter Annette, die beide later naar Israël emigreren. Reina overlijdt op 7 juli 1969 in Ruurlo.

Bronnen:
‘De Joodse Gemeente te Borculo’, S. Laansma
‘Ein Schwabe überlebt Auschwitz’, Arnold Erlanger (Wiβner-Verlag, Augsburg, 2002)
‘Aan een zijden draad’, Hans N. Andriesse (Meulenhoff, Amsterdam, 1978)
‘Mauthausen, een gedenkboek’, (Stichting Vriendenkring Mauthausen, Amsterdam 1999)
‘De harmonica bleef vijf jaar stil’, Jan Oonk en Bert Leuverink (Ruurlo, 1995)
www.dutchjewry.org
www.yadvashem.org
www.joodsmonument.nl
www.wiewaswie.nl
www.tomverwaijen.nl




Fotomateriaal




De briefkaart zonder plaatsaanduiding en datum, waarin een onbekend iemand vraagt aan mevr. Wijler om ondergoed, handschoenen, truien en dergelijke op te sturen. Voor Lo en voor B. Sanders








De inschrijvingskaart (voor- en achterzijde) van Lo Wijler in het kamp Mauthausen



Foto van de families Wijler en Dommerholt. Lo Wijler is de voorover gebogen persoon op de voorgrond, voor zover bekend de enige foto van hem die bewaard is gebleven




Het echtpaar Bernard en Josine Sanders met hun zoontje Johan in juni 1940. De dame rechts is tante Klaar, die Johan na de oorlog (onder de roepnaam Joop) in huis zal nemen



David Spanjar en Betje Spanjar-Koppel

Jan Oonk

Als de Duitsers op 10 mei 1940 ons land binnen vallen telt Ruurlo vijf Joodse ingezetenen. Daaronder pluimveehandelaar David Spanjar en zijn vrouw Betje Spanjar-Koppel, een wat ouder echtpaar dat aan het begin van de Domineesteeg woont. Beide komen in mei 1943 om in Sobibor. Van hun drie kinderen, die dan al het huis uit zijn, vindt zoon Israel de dood in Mauthausen. Hun twee dochters Hendrina en Berendina Jacoba weten de oorlog te overleven.

De familie Spanjar woont aan het begin van de Domineesteeg. Vader David Spanjar, van beroep handelaar in pluimvee, is geboren op 7 juli 1880 in Rijssen, zijn vrouw Betje Spanjar-Koppel op 20 februari 1882 in Zutphen. (In het boek ‘De harmonica bleef vijf jaar stil’ wordt abusievelijk gesproken van Spanjaard, maar dat moet dus Spanjar zijn).
David Spanjar komt in 1896 als winkelbediende in dienst bij de weduwe van de marskramer/winkelier Azer Meijer Heijmans, die kort daarvoor is overleden. De winkel staat aan de Dorpsstraat tegenover de kerk, op wat later Kamperman zou worden. In 1905 trouwt hij met Betje Koppel (waarschijnlijk zijn nicht) en in 1907 neemt het echtpaar zijn intrek in het eerste gedeelte van het Vellershuus of Broekhuus, een markante witte dubbelwoning aan het begin van de Domineesteeg. Het huisje is rond 1995 afgebroken om plaats te maken voor de nieuwe woning van de familie Teunissen.

Enkele reis Sobibor
Het echtpaar Spanjar meldt zich op 29 maart 1943, na een oproep daartoe van de bezetter, in het opvangkamp in Vught. Met hun biezen koffers in de hand lopen ze arm in arm naar het station, hun noodlot tegemoet. Zo wordt hun vertrek uit Ruurlo door een getuige beschreven. Ze hebben blijkbaar nog wel geprobeerd om een onderduikadres te vinden. In ieder geval heeft David Spanjar een bevriende boer in het Ruurlose Broek benaderd. Deze durft het echter niet aan om Joodse onderduikers op te nemen, omdat ook zijn zoon met vrouw en kleine kinderen op de boerderij woont. Het risico was hem gewoon te groot, weet een kleinzoon te melden. Waarschijnlijk heeft het echtpaar Spanjar daarna de eer aan zichzelf gehouden en heeft men niemand tot last willen zijn.
Vanuit Vught worden ze samen met lotgenoten (waaronder de moeder van Jeanette de Vries) verder getransporteerd naar het ‘Durchgangslager’ Westerbork, vanwaar ze op 11 mei daarop volgend per trein worden afgevoerd naar het vernietigingskamp Sobibor aan de Pools/Russische grens. Daar worden beiden direct na aankomst op 14 mei 1943 om het leven gebracht in een van de gaskamers.
Vanuit Westerbork vertrok op 15 juli 1942 het eerste transport van voornamelijk Joden (ook kleinere aantallen Sinti, Roma en opgepakte verzetsmensen werden via Westerbork afgevoerd) richting de concentratie- en vernietigingskampen in Oost-Europa. Vanaf begin 1943 was sprake van een wekelijkse routine. Elke dinsdag vertrok er toen een trein met gemiddeld duizend personen. In totaal zijn er 93 transporten vanuit Westerbork vertrokken, de laatste op 13 september 1944. Naar Sobibor worden 35.000 Nederlandse Joden afgevoerd, slechts 19 van hen hebben de holocaust hier overleefd.

Dochters Spanjar overleven
Het echtpaar Spanjar heeft een zoon en twee dochters. Zoon Israel, geboren op 18 december 1913 in Ruurlo, is eind augustus 1930 al vertrokken naar Hengelo (Ov), waar hij zich vestigt als bakker. Hij komt al in juli 1941 om het leven in Mauthausen.
Dochter Berendina Jacoba, geboren op 26 mei 1912 in Ruurlo en winkeljuffrouw van beroep, vertrekt eind januari 1929 voor korte tijd naar Amsterdam. In november 1930 keert ze even terug in Ruurlo, maar verhuist in september 1931 definitief naar Hengelo (Ov). Zij overleeft de oorlog, net als haar oudere zus Hendrina.
Hendrina, geboren op 3 augustus 1907, vertrekt eind januari 1925 naar Lochem, maar keert in december 1929 terug naar het ouderlijk huis in Ruurlo. Volgens het bevolkingsregister woont ze daar nog ten tijde van de oorlog, maar dat blijkt in de praktijk niet te kloppen. S. Laansma spreekt in zijn boek ‘De Joodse Gemeente te Borculo’ over twee Joodse vrouwen uit Ruurlo die de oorlog overleefd zouden hebben, zonder namen te noemen. Mogelijk is hij ook door het bevolkingsregister op het verkeerde been gezet (zoals hierna zal blijken) en doelt hij naast Reina Wijler-Kropveld op Hendrina Spanjar als de tweede vrouw uit Ruurlo die de oorlog overleeft. Lange tijd hield het verhaal hier op, want over de lotgevallen van de beide dochters Spanjar was op geen enkele manier nadere duidelijkheid te krijgen. Tot de voorzienigheid te hulp schoot in de persoon van Johanna Hendrina Storch-Sanderse, dochter van Hendrina en kleindochter van David en Betje Spanjar.

Kleindochter in Canada bezoekt Ruurlo
In 1999 komen Johanna Hendrina en haar man Heinz-Joachim Storch vanuit Canada voor het eerst in Ruurlo, op zoek naar haar ‘roots’. Zo komen ze bij de familie Teunissen aan de Domineesteeg terecht, omdat het huis ongeveer op de plek staat waar ooit het huis van de familie Spanjar heeft gestaan. Begin mei 2005 was het echtpaar opnieuw in Ruurlo, als onderdeel van hun ‘toernee’ langs familie in Europa. Bij die gelegenheid vertelt ze dat haar moeder Hendrina al op 11 oktober 1933 is getrouwd in Zutphen met Johannes Leyn Frederik Sanderse. Het bevolkingsregister in Ruurlo blijkt dus niet correct bijgewerkt. In Zutphen exploiteert het echtpaar een bioscoop, al weet Johanna Hendrina niet welke. Mogelijk wat nu theater & congrescentrum de Hanzehof is. Hendrina verkoopt er in ieder geval de kaartjes aan de kassa, haar man draait de films. De familie woont aan de Dieserstraat, tegenover de synagoge. Tijdens een bombardement op Zutphen valt de ster in het gebrandschilderde raam van de synagoge nog op het wiegje van de pas geboren Johanna Hendrina, waar ze tot haar geluk op dat moment niet in lag.
Sanderse was van niet-Joodse afkomst, reden waarom Hendrina drie jaar lang door haar familie wordt genegeerd. De contacten worden pas hersteld als in 1936 de eerste kleindochter(Maria Dina Lucia wordt geboren. Na een jong overleden zoontje wordt op 12 juni 1944 Johanna Hendrina geboren, in 1948 gevolgd door een dochter Henny. Dankzij haar huwelijk met Sanderse heeft Hendrina Spanjar blijkbaar niets te duchten gehad van de Duitse heksenjacht.
In 1953 emigreert het gezin Sanderse naar Canada, waar Johanna Hendrina in 1966 in het huwelijk treedt met Heinz-Joachim Storch, zoon van een Duitse soldaat die als krijgsgevangene in Amerika terecht is gekomen. Hendrina Sanderse-Spanjar overlijdt op 13 november 1983 in Sault St. Marie, in de provincie Ontario.
Uit het relaas van Johanna Hendrina Storch-Sanderse blijkt dat haar tante Berendina Jacoba Spanjar (de jongere zus van haar moeder Hendrina) tijdens de oorlog ondergedoken is geweest ergens in Twente. Na de oorlog trouwt ze met Louis van der Kamp, die twee jaar Auschwitz heeft overleefd, en woont in Enschede. Daar is Berendina Jacoba op 25 maart 1975 overeden. Het echtpaar Van der Kamp krijgt twee kinderen: dochter Helen die naar Israël emigreert en zoon Lody Benno (geb. 29 september 1948 in Enschede). De laatste volgt een opleiding tot rabbijn in Londen, waarna hij vanaf 1978 als zodanig werkzaam is in achtereenvolgens Londen, Den Haag, Amsterdam en Rotterdam. Tot 1996, daarna wordt hij directeur van de reisorganisatie Jehoeda Services. Uit zijn levensbeschrijving op wikipedia.org valt te achterhalen dat hij daarnaast nog verschillende andere functies heeft vervult en namens het CDA bijvoorbeeld ook in de deelgemeenteraad van het Amsterdamse stadsdeel Zuideramstel, later Amsterdam-Zuid, heeft gezeten. Hij heeft drie wetenschappelijke publicaties, drie romans en een dagboek op zijn naam staan.

Bronnen:
‘De Joodse Gemeente te Borculo’, S. Laansma
‘De harmonica bleef vijf jaar stil’, Jan Oonk en Bert Leuverink (Ruurlo, 1995)
Het Nederlandse Rode Kruis, afd. Oorlogsnazorg, Den Haag
Joods Historisch Museum, Amsterdam
www.dutchjewry.org
www.wiewaswie.nl
www.joodsmonument.nl
www.yadvashem.org
www.wikipedia.org


Schooljuffrouw Jeanette de Vries

Jan Oonk

Als de Duitsers op 10 mei 1940 ons land binnen vallen telt Ruurlo vijf Joodse ingezetenen. Daaronder Jeanette de Vries, al sinds 1924 schooljuffrouw op de Koekoekschool in het Ruurlose Broek. Als ze eind 1940 een ‘Berufsverbot’ krijgt van de Duitsers vertrekt ze naar Den Haag, waar haar moeder en broer wonen. Daar geeft ze nog enige tijd les op een Joodse lagere school, totdat ze zich in het voorjaar van 1943 moet melden in Vught. De reis eindigt een jaar later in Auschwitz.

In ‘De harmonica bleef vijf jaar stil’ wordt over schooljuffrouw Jeanette de Vries eigenlijk niet meer gemeld dan “van haar heeft nooit meer iemand iets gehoord”. In het bevolkingsregister van Ruurlo is geen datum van overlijden te vinden en ook Laansma vermeldt in zijn boek ‘De Joodse Gemeente te Borculo’ niets over haar lot. Een hernieuwde speurtocht heeft toch nog heel wat aanvullende informatie opgeleverd, ook over haar naaste familie. Met helaas in de meeste gevallen een tragisch slot. Alleen haar jongere broer Benjamin de Vries overleeft de oorlog, omdat deze al in de jaren dertig met zijn vrouw naar Palestina is vertrokken. Deze Benjamin brengt het zelfs tot professor aan de Universiteit van Tel Aviv.
Jeanette is geboren op 24 november 1903 in Onstwedde, als eerste kind van Hartog de Vries en Rachel de Levie. Haar vader is op 3 september 1872 geboren in Almelo, haar moeder op 9 februari 1876 in Nieuwe Pekela. Jeanette had nog twee jongere broers: Benjamin (geb. 2 augustus 1905, Onstwedde) en Emanuel (geb. 21 mei 1907, Onstwedde). Vader Hartog vervult in die tijd verschillende functies binnen de Joodse gemeenschap in Stadskanaal en omliggende plaatsen als Bourtange, Zuidbroek en Emmen. Zoals rebbe (godsdienstonderwijzer), gazzan (voorzanger) en sjoucheit (ritueel slachter). Later vertrekt het gezin naar Haarlem, waar Hartog ritueel slachter en opperkoster wordt. Per 15 augustus 1920 wordt vader Hartog benoemd tot voorganger en godsdienstonderwijzer in Borculo, een functie die hij met ingang van oktober van dat jaar zal vervullen. Jeanette voegt zich in april 1921 bij het gezin, mogelijk heeft ze eerst nog haar schooljaar (toen nog van april tot april) af willen maken in Haarlem.

Koekoekschool in Ruurlo
In de zomer van 1923 wordt Jeanette benoemd tot onderwijzeres aan de Bruilse school. In het bevolkingsregister wordt ze op 11 juni 1923 ingeschreven in Ruurlo, op het adres van de familie Spanjar. Al in februari/maart van het daaropvolgende jaar verkast ze naar de pas opgerichte Koekoekschool in het Ruurlose Broek en daar zal ze meer dan zestien jaar trouw haar plicht vervullen. “Een lieve juffrouw”, wordt ze genoemd door mensen die haar nog herinneren uit die tijd.
Hoofd van de Koekoekschool is al die jaren (sinds het eerste schooljaar 1924-1925) meester Hendrik Gemmink. Het wrange noodlot wil dat hij zich in de jaren dertig ontpopt als sympathisant van de NSB, na de oorlog wordt hij om die reden ook geschorst als onderwijzer. Met de lotgevallen van Jeanette de Vries heeft hij echter weinig van doen gehad.
Nog even over vader Hartog de Vries: als deze in 1931 met zijn gezondheid begint te kwakkelen en wordt geopereerd springt Jeanette geregeld bij om hem bij zijn werkzaamheden te assisteren. Dat levert ook nog een enkel kritisch commentaar op van een gemeentelid, omdat ze in december (als de dagen kort zijn) nog naar Borculo fietst op het moment dat de sabbat in feite al is ingetreden. Deze criticaster vreest dat dit een verkeerde indruk zal maken op de leerlingen. Met de gezondheid van haar vader komt het niet meer goed, op 6 augustus 1932 overlijdt hij in Den Haag. Mogelijk is hij dan op bezoek bij zoon Emanuel en diens vrouw Mirjam van der Hoek, die daar wonen op het adres A. van Buerenstraat 281. Hartog de Vries wordt in Borculo begraven.
Al kort na het overlijden van Hartog de Vries vertrekt zijn vrouw Rachel de Vries-de Levie naar Amsterdam (per 12 november 1932). Daar verblijft ze nog geen twee jaar, op 6 september 1934 wordt ze ingeschreven in Den Haag op adres Oranjestraat 5. Per 19 mei 1936 trekt ze tijdelijk in bij zoon Emanuel en schoondochter Mirjam, die dan op het adres Pletterij 37 wonen. Een jaar later, op 25 mei 1937, verhuist Rachel naar Hofwijckplein 7.
Op kamers bij Kamperman
Terug naar Jeanette. Volgens het bevolkingsregister staat ze vanaf 11 juni 1923 onafgebroken ingeschreven op het adres van de familie Spanjar aan de Domineesteeg. In de praktijk blijkt dat iets anders te liggen. Volgens Dien Takke-Kamperman had ze in ieder geval de laatste jaren voor de oorlog een zit- en slaapkamer gehuurd bij haar grootouders, de familie Haverkamp aan de Dorpsstraat (later schoenenwinkel van de familie Hogevonder). Als klein meisje kwam Dien regelmatig bij haar grootouders over de vloer, waarbij ze automatisch in contact kwam met juffrouw De Vries. Eten deed Jeanette wel nog steeds bij de familie Spanjar, omdat daar koosjer werd gekookt. Want blijkbaar kwam Jeanette uit een familie die behoorlijk strikt in de leer was wat de Joodse voorschriften betreft. Dien Takke weet zich tenminste ook nog te herinneren dat op de sabbat haar tante Mien Haverkamp de kachel voor Jeanette kwam aanmaken en het licht aansteken.
Een van de mensen die haar nog herinneren uit die tijd is Wim Jenner uit Amersfoort. Zijn vader maakte deel uit van het Zestiende Grensbataljon, dat in de mobilisatietijd in Ruurlo en omgeving was gelegerd ter bewaking van de grens met Duitsland. Het gezin Jenner woonde aan de Groenloseweg, naast timmerman Klein Kranenbarg en tegenover de klompenfabriek. Voordat ze de woning konden betrekken logeerden ze eerst nog een paar dagen bij bakker Kranenbarg, kan Wim zich nog herinneren.
Wim Jenner krijgt in die periode bijles van juffrouw De Vries aan de Dorpsstraat en sindsdien is het contact van de familie Jenner met haar blijven bestaan. Ook hij herinnert zich haar als een lieve juffrouw. Behalve die keer dat hij tijdens een uitleg van haar zat te dagdromen. Dan wordt ze even heel boos en valt uit tegen hem. Als hij begint te huilen draai ze echter snel weer bij.

Naar Den Haag
Het zal voor Jeanette een grote slag zijn geweest wanneer de Duitsers haar per 27 november 1940 het lesgeven verbieden. Kort daarop moet ze ingetrokken zijn bij haar moeder op het adres Hofwijkplein 7 in Den Haag. Volgens Dien Takke al begin 1941. Over en weer werden met regelmaat brieven uitgewisseld tussen de families De Vries in Den Haag en Haverkamp en Spanjar in Ruurlo (de brieven voor het echtpaar Spanjar stuurt jeanette ook via Haverkamp). Helaas zijn deze brieven niet bewaard gebleven, dat was te gevaarlijk in die tijd. Ook met de familie Jenner, inmiddels weer terug in Amersfoort, blijft ze contact onderhouden.
Uit de cartotheek van de Joodsche Raad blijkt dat Jeanette ‘gesperrt’ was (dat wil zeggen uitgesloten van deportatie) vanwege haar werk als onderwijzeres. Via de Joodsche Raad krijgt ze per 30 september 1941 een aanstelling als onderwijzeres aan de lagere Joodse school aan de Bezemstraat in Den Haag, anno 2015 is dit het Rabbijn Maarssenplein. Op de voormalige speelplaats van de school is ter nagedachtenis aan alle omgekomen Joodse kinderen een monument opgericht.
Volgens Dien Takke is Jeanette de Vries later (dat moet volgens haar ook nog in de loop van 1941 zijn geweest) verhuisd naar een ander adres. Dat kan kloppen. Uit de genoemde cartotheek van de Joodsche Raad blijkt dat ze laatstelijk woonachtig was op het adres Zwetstraat 37 in Den Haag, maar dan hebben we het al over 1943. Dat is het adres van haar broer Emanuel en zijn vrouw, blijkbaar is ze bij hen ingetrokken. Mogelijk heeft dat te maken met de verhuizing van haar moeder per 24 december 1942 naar het adres Theresastraat 33a.
Waarschijnlijk heeft moeder Rachel de Vries-de Levie, net als het echtpaar Spanjar, zich in het voorjaar van 1943 moeten melden in het opvangkamp in Vught. Van daaruit wordt ze via Westerbork afgevoerd naar Sobibor, waar ze op 23 juli 1943 om het leven komt.

Klaslokaal in Vught
Ook Jeanette moet zich na een oproep van de Duitsers melden in kamp Vught (Konzentrationslager Herzogenbusch). Volgens gegevens van het Rode Kruis vindt dat plaats op 22 april 1943. Vanuit Vught schrijft Jeanette nog weer diverse brieven naar de familie Haverkamp in Ruurlo. Daaruit blijkt dat ze in het kamp nog les mag geven aan de Joodse kinderen, al klaagt ze wel dat ze niet beschikt over enig lesmateriaal. In Vught zijn aanvankelijk ook haar broer Emanuel (geb. 21 mei 1907 in Onstwedde) met vrouw Mirjam de Vries-van der Hoek en twee kleine zoontjes Naphtalie (geb. 26 januari 1939 in Den Haag) en Jehoeda (geb. 2 december 1941 in Den Haag) ondergebracht.
Volgens Wim Jenner heeft Jeanette in het voorjaar van 1943 nog een bezoek gebracht aan zijn moeder in Amersfoort (zijn vader zat op dat moment in Polen, waarnaar de Duitsers de oud-officieren in februari 1943 hadden afgevoerd). Jeanette had toen al een oproep om zich te melden in Vught en zijn moeder heeft haar daarom nog aangeboden om bij het gezin Jenner onder te duiken. Daarvan heeft Jeanette geen gebruik gemaakt omdat ze het gezin niet in gevaar wilde brengen.

Broer Emanuel
Ook het gezin van haar jongste broer Emanuel wordt eerst geïnterneerd in kamp Vught. Emanuel is op 26 november 1930 in Hilversum getrouwd met Mirjam van der Hoek. Zij is geboren op 11 november 1910 in Hilversum als dochter van de bakker Levie van der Hoek en Grietje de Haan. In de huwelijksakte wordt als beroep van Emanuel godsdienstonderwijzer genoemd.
Kort voor het huwelijk heeft Emanuel blijkbaar een nieuwe werkkring gevonden in Den Haag. Daar wordt hij per 1 augustus 1930 ingeschreven op het adres Prinsengracht 24, als ambtenaar van de Israëlische gemeente. In de cartotheek van de Joodsche Raad staat hij genoteerd als hoofdbeambte bij het begrafeniswezen en als koster van de Bezuidenhout-synagoge, maar dan hebben we het al over de eerste oorlogsjaren. Ook hij was, net als Jeanette, vanuit die functie ‘gesperrt’.
Kort na zijn inschrijving in Den Haag verhuist Emanuel per 3 december 1930 naar de A. van Buerenstraat 281, waar zijn vrouw Mirjam zich bij hem voegt. In de loop der tijd verhuizen ze nog naar de Pletterijstraat 38 (per 25 mei 1934) en de Schilderstraat 22 (per 2 september 1938). Hun laatste adres is Zwetstraat 37, maar toen werd het bevolkingsregister al niet meer bijgehouden. Aan de Schilderstraat wordt op 26 januari 1939 hun zoontje Naphtalie geboren. Op 2 december 1941 wordt een tweede zoontje, Jehoeda, geboren.
Het gezin van Emanuel de Vries wordt op 9 mei 1943 doorgestuurd naar Westerbork. Emanuel komt daar terecht in barak 57, van Mirjam is het nummer van de barak niet bekend. Kort na aankomst in Westerbork overlijden kort na elkaar de twee zoontjes: Naphtalie op woensdag 26 mei 1943 en Jehoeda de week daarop op dinsdag 1 juni 1943. Beide kinderen worden op hun dag van overlijden gecremeerd, waarna de urn wordt bijgezet op de Israëlische begraafplaats in Diemen.
In Vught heeft Jeanette dat allemaal nog meegekregen, want in haar brieven naar de familie Haverkamp in Ruurlo maakt ze melding van deze trieste gebeurtenissen. Volgens haar brieven zijn de kinderen van heimwee gestorven. Op 11 september 1943 wordt in Westerbork nog een dochtertje Judith Nechama geboren. Mirjam was dus al in verwachting toen ze zich meldde in Vught. Volgens Jenner wordt het kind door de Duitsers doodgeslagen en is moeder Mirjam gek geworden van verdriet. Volgens de officiële gegevens (zoals die te vinden zijn op www.joodsmonument.nl) is ze samen met haar ouders omgekomen op 11 februari 1944 in Auschwitz. Het transport vindt plaats op 8 februari 1944. Ze zijn ook al terug te vinden op de transportlijst van 16 november 1943, maar blijkbaar is hun deportatie toen op het laatste moment nog uitgesteld. De reden daarvan is onbekend.

Van Vught naar Auschwitz
Jeanette wordt op 3 juni 1944 vanuit kamp Vught op transport gesteld naar Auschwitz, kamp Vught wordt dan ontruimd. Het is een van de twee deportaties die rechtstreeks vanuit Vught hebben plaatsgevonden, alle andere transporten gingen via Westerbork. Volgens Dien Takke heeft ze op het station van Hengelo (Ov) nog een briefje uit de trein gegooid met daarop de tekst “Wij gaan het grote onbekende tegemoet”. Via een spoorwegambtenaar is het briefje uiteindelijk bij de familie Haverkamp bezorgd, maar ook dit is niet bewaard gebleven.
Op 6 juni 1944 komt het transport aan in Auschwitz-Birkenau, ook wel aangeduid als Auschwitz II, de in 1942 gereed gekomen uitbreiding van het oudere Auschwitz I. Hier stonden de grootste en modernste gaskamers van het Duitse Rijk en in totaal kwamen hier meer dan 57.000 Nederlandse Joden, Sinti en Roma om het leven. Op 12 juni wordt de groep waartoe Jeanette behoorde doorgezonden naar Aussenkommando Langenbilau, een van de circa veertig werkkampen rond Auschwitz. Jeanette hoort daar evenwel niet meer bij. Volgens een onbekende ooggetuige is Jeanette in de periode tussen 6 juni en 12 juni 1944 in Auschwitz omgekomen. Dat wijst erop dat bij aankomst in Auschwitz-Birkenau een selectie heeft plaatsgevonden: wie in staat was om te werken werd doorgezonden naar Langenbilau, wie (vanwege ziekte, jeugd of ouderdom) niet arbeidsproductief meer was ging naar de gaskamers. Officieel wordt haar overlijden in de Staatscourant van 27 maart 1952 gedateerd op 9 juni 1944.

Broer Benjamin naar Palestina
Zoals eerder gemeld had Jeanette nog een tweede broer Benjamin. Deze trouwt op 14 september 1932 in Amsterdam met Bertha de Beer (kort na het overlijden van vader Hartog op 6 augustus 1932). Bertha is op 1 juni 1905 geboren in Amsterdam, als dochter van de koopman Leonard de Beer en Jeannette Dinner. Bertha’s moeder was de dochter van Joseph Hirsch Dünner (of Dinner), van 1874 tot zijn dood in 1911 opperrabbijn van de Joodse gemeenschap in ons land. Als beroep van Benjamin wordt in de trouwakte vermeld ‘leraar aan een seminarium’.
Een jaar voor zijn huwelijk, in 1931, was hij afgestudeerd aan het Nederlands Israelisch Seminarium in Amsterdam en had de titel moré verworven, vergelijkbaar met de doctorsgraad in de theologie. Bertha was tot haar huwelijk onderwijzeres.
Nog in datzelfde jaar 1932 brengen Benjamin en Bertha als toerist een bezoek aan Palestina. Na zijn terugkeer wordt hij voorzitter van de Nederlandse Mizrachie, waarin de Nederlandse zionisten waren georganiseerd. Dat wil zeggen tot zijn ‘aliya’ in 1934, waaronder de (legale) emigratie van Joden naar Palestina wordt verstaan. Deze emigratie werd door de Britse overheid (Palestina was toen een Brits protectoraat) in beperkte mate toegestaan. In 1937 wordt hij genoemd als Nederlandse kandidaat voor het 20ste congres van de Zionisten, blijkbaar heeft hij zijn Nederlandse nationaliteit behouden. Als de oorlog uitbreekt verblijft het echtpaar in ieder geval in Palestina en dat is hun redding.

Professor in Tel Aviv
Op 20 mei 1946 keert Benjamin nog weer terug vanuit Tel Aviv naar Amsterdam, waar hij zich vestigt op het adres Weesperplein 1. Mogelijk om nadere informatie te verzamelen over het lot van zijn familieleden of om hun nalatenschap af te handelen. Zijn vrouw Bertha is dan niet bij hem. In die periode wordt hij overigens ook genoemd als waarnemer van het opperrabbinaat in Den Haag. Op 6 december 1947 emigreert Benjamin voorgoed naar Palestina.
In het boekje ‘Israel 50 jaar’, in 1998 uitgegeven door het NIW (Nieuw Israelisch Weekblad) staat op pag. 22 een foto van ‘Professor rabbijn Benjamin de Vries die college geeft op het terrein van de Bar Ilan Universiteit, in Ramat Gan’. De foto dateert uit 1957. In het fotoarchief van NIW (beheerd door het Joods Historisch Museum) bevindt zich nog een andere foto waar hij opstaat samen met onder andere de Nederlandse ambassadeur Gideon Boissevain. Deze foto is eveneens genomen in 1957, met op de achtergrond de Bar Ilan Universiteit. Het bijschrift bij de foto luidt: “De van oorsprong Ned. rabbijn Benjamin (Ben) de Vries (Stadskanaal 2 aug. 1905 - Amsterdam 1 nov. 1966) was hoogleraar Talmudica aan de Bar Ilan Universiteit te Ramat Gan. Hij was de zoon van Hartog de Vries en was getrouwd met de kleindochter van opperrabbijn Dünner. Hij studeerde aan het Ned. Isr. Seminarium in Amsterdam en verwierf in 1931 de titel moré, zijn doctoraal examen aan de Universiteit van Leiden legde hij in 1938 af. Hij was jeugdleider bij Zichron Ja'akov en was tot zijn alija in 1934 voorzitter van Mizrachie. In 1932 bezocht hij Palestina als toerist. Na zijn alija werd hij onderwijzer op mizrachie-scholen en later inspecteur van de scholen in het hele land. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij waarnemend opperrabbijn van Den Haag. In 1959 promoveerde hij in Amsterdam en werd hoogleraar Talmoed aan de Bar Ilan Universiteit. Hij werd wel genoemd de "rebbe" van de Hollandse kolonie in Israël.”
Dat hij in 1959 in Amsterdam promoveert toont aan dat de banden met Nederland nooit helemaal zijn doorgeknipt. De banden blijven letterlijk tot zijn laatste ademtocht bestaan, want op 28 oktober 1966 overlijdt Benjamin tijdens weer een bezoek aan Amsterdam. Zijn laatste rustplaats is echter een graf in Israël. In 1968 brengen collega’s en leerlingen van de Universiteit Tel Aviv postuum een boek uit met studies en artikelen van zijn hand met als Engelse ondertitel ‘Benjamin De Vries memorial volume: studies presented by colleagues and pupils’. Het boek is verder geschreven in het Hebreeuws en telt 342 pagina’s. Historie en essentie van het Joodse geloof vormen in zijn algemeenheid de hoofdthema’s. Nazaten van Benjamin de Vries en Bertha de Beer zijn niet gevonden. Jeanette de Vries had in ieder geval een bijzondere broer.

Bronnen:
‘De Joodse Gemeente te Borculo’, S. Laansma
‘De harmonica bleef vijf jaar stil’, Jan Oonk en Bert Leuverink (Ruurlo, 1995)
Het Nederlandse Rode Kruis, afd. Oorlogsnazorg, Den Haag
Joods Historisch Museum, Amsterdam
Kamp Westerbork
www.allegroningers.nl
www.alledrenten.nl
www.joodsmonument.nl
www.jodeninnederland.nl
www.yadvashem.org

Fotomateriaal



Jeanette de Vries, van begin 1924 tot eind 1940 onderwijzeres aan de Koekoekschool in Ruurlo



Schoolfoto genomen op de Koekoekschool circa 1930. Jeanette de Vries staat geheel rechts



Schoolfoto genomen op de Koekoekschool ergens in de jaren dertig van de vorige eeuw. Zittend met kind op schoot is juffrouw Jeanette de Vries



Jeanette de Vries met enkele van haar leerlingen in Den Haag, waar ze les gaf aan de lagere Joodse school aan de Bezemstraat



Bijeenkomst van de Nederlandse Mizrachie bij het afscheid van voorzitter Benjamin de Vries vanwege zijn alija naar Palestina in 1934. De bijeenkomst vond plaats in de bovenzaal van de Diamantbeurs in Amsterdam. Zevende van links is Benjamin de Vries
(Foto: Joods Historisch Museum, Amsterdam. Fotoarchief Nieuw Israëlietisch Weekblad)



Benjamin de Vries, staande rechts op de foto, tijdens een receptie in het Minervapaviljoen te Amsterdam in 1946, georganiseerd door opperrabbijn Isaac Herzog (zittend in het midden)
(Foto: Joods Historisch Museum, Amsterdam. Fotoarchief Nieuw Israëlietisch Weekblad)



Benjamin de Vries, derde van links op de foto, voor een gebouw van de Bar Ilan Universiteit in Ramat Gan. Zwi Birnbaum, Links naast hem staat de Nederlandse ambassadeur Gideon Boissevain. De persoon links op de foto is Zwi Birnbaum, rechts staat Mechel Jamenfeld. De foto dateert uit 1957
(Foto: Joods Historisch Museum, Amsterdam. Fotoarchief Nieuw Israëlietisch Weekblad)



Professor rabbijn Benjamin de Vries geeft college op het terrein van de Bar Ilan Universiteit in Ramat Gan, 1957
(Foto: Joods Historisch Museum, Amsterdam. Fotoarchief Nieuw Israëlietisch Weekblad)





Historische Vereniging "Old Reurle"
KvK Arnhem nummer 40103401
E-mail: info@oldreurle.nl
Sinds januari 2013 culturele ANBI instelling
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu