Ruurlo in oorlogstijd - Old Reurle

Historische Vereniging
"OLD REURLE"
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Ruurlo in oorlogstijd

Hieronder een brief uit februari 1945 gestuurd aan de familie Mekking in Ruurlo.
Onder de foto staat de volledige tekst uitgewerkt.



De Fam. W. Mekking
G.3.
Ruurlo

Utrecht, '45
19 Feb.

Beste fam.
Eindelijk thuis zeiden we Zondagavond tegen elkaar, al was het daar nog steeds even slecht, toch is het altijd Oost, West, Thuis, best. We hadden een aardige vracht. Ik denk ieder 100 pond. Rogge en havermouth en 27 eieren + roggeflokken. Dus we hadden een aardige vracht. Maar we zijn nergens zo hartelijk en zorgsaam ontvangen als bij U allen. We zijn in Aalten 2 dagen geweest maar bij U waren we meer thuis als daar.
Ook was het nog een hele angst voor ons hoe we thuis zouden komen, althans even de IJsel. We kwamen in Zutphen aan, daar ging ik, Ria, de jongste van het stel, ergens naar binnen en wat water te drinken. Tiny stond buiten even te wachten. Toen kwamen er 2 Duitsers aan en die voelden aan onze zakken en vroegen wat er in zat: Toen zei Tiny, de oudste van het span, daar zit een beetje rogge in, Oh, zeiden ze. Toen vroeg Tiny of er controle was op de IJsel brug. Die Duitsers zeiden, dat zij de niet zo op zouden letten, maar de Hollandse C.C.D. zou wel alles af nemen. Hij keek op z'n horloge en zag toen dat het half één was. Hij zei, als jullie nu meteen gaan, dan is de C.C.D. net aan het eten. Ik was onderhand terug gekomen, dus konden we meteen opstappen. En jawel hoor, we hadden helemaal geen last. Van Zutphen tot Apeldoorn ging alles goed, toen knapte mijn band, toen hebben we die gemaakt, maar we konden nergens onderdak krijgen, maar gelukkig, als de nood het hoogst is, is de redding nabij en zo ook nu weer, want van kennis op kennis kregen toch nog een dak boven ons hoofd.
Maar de volgende dag zijn we gelopen van Apeldoorn naar Voorthuizen. Daar had ik nog een kennis wonen waar we gegeten hebben en de band gemaakt kon worden en toen gingen we op huis aan. Het was al donker toen we thuis kwamen. Mijn ouders zijn U zeer dankbaar van het geen U van ons gedaan heeft. En willen U na de oorlog eens komen opzoeken, tenminste als we allemaal nog leven. Verder doe ik U allen de groeten, ook aan Uw man en dat U nog vele jaren voor elkaar gespaard mogen blijven. Ook vele groeten aan uw dochter en Willem.
Hoogachtend,
Ria Schuileman
Mijn vader zal er nog wat aan toevoegen.


Geachte Familie
Aangenaam verrast waren we toen Ria Zondagavond 18 Febr. plotseling voor onze neus stond en na kwam bekomen te zijn aan één ruk doorvertelde van haar ervaringen, die nu eens angstig dan weder prettig geweest waren. Naar ze raakte nu nog niet uitgeprad over Willem de Oude en Willem de Jonge. Nu vind ik één ding jammer, dat Ria niet vertelde heeft dat haar ergen vader ook Willem heet. Dat is dus Willem III. Maar beste menschen, ik dank U allen hart voor de zorg en de toewijding waarmee gij lieden onze Ria behandeld hebt. U weet roef dat was de jongste en de blonde. Nogmaal onzen hartelijken dankt en gaarne tot wederdienst bereid.
Hoogachtend
Mvr Dr Dr W. Schuileman Jr.
Nassaustr. 9
Utrecht

UIT HET OORLOGSDAGBOEK VAN B. A. J. GERDES

Meester Gerdes was hoofd van de Sint Willibrordusschool van 1930 – 1967. Het gezin Gerdes woonde op de Pellenberg, het meestershuis op de hoek van de Stationsstraat en de Groenloseweg. De school diende in de oorlogsjaren  als onderdak voor de Todt, genoemd naar de Duitse bouwingenieur Todt, een instantie die ondersteunende werkzaam-heden verrichtte t.b.v. de Duitse oorlogs-machine, zoals het graven van tankgleuven en onderhoud aan de spoorlijnen. Rond station Ruurlo was constant een ploeg van zo’n 25 mensen aan het werk. Het dagboek loopt van 18 januari t/m 21 april 1945 en daarin beschrijft hij de dagelijkse wederwaardigheden en zijn functie als administrateur bij de Todt. Wij geven verkort de aantekeningen over de bevrijding van Ruurlo weer, van vrijdag 30 maart t/m paasmaandag 2 april. Hier en daar aangevuld met wat gegevens voor de jongeren en voor de nieuwkomers in Ruurlo.

Vrijdag 30 maart ‘45
Toen ik thuis kwam, was To erg ongerust. De kinderen kwamen mij juichend tegemoet en ik was overgelukkig dat ik paaszaterdag thuis kon blijven nu de toestand zo kritiek werd.

Zaterdag 31 maart ’45.
De nacht is rustig geweest tot 4 uur in de morgen. Dan wordt er heftig gebeld en op de luiken gebonsd. Als ik open doe, staat er een lange officier met enkele soldaten.
Ze moeten voor enkele uren slapen. De woonkamer wordt uitgekozen en er installeren zich drie soldaten die in de leunstoelen enkele uren slapen. Ze gedragen zich niet luidruchtig, maar van slapen komt niet veel meer. Als er een naar de w.c. gaat en de deuren piepen, luisteren we beiden of er uit de keuken of kelder niet iets georganiseerd (gestolen) wordt. Om halfzeven stappen ze weer op en ik zie dat de officier bij Bleumink de bakker (het pand op de hoek Domineesteeg en de Groenloseweg) geslapen heeft. Als hij hem uitlaat staat zijn arm nog hoog “Heil Hitler”.
We zijn druk, To en ik, er staat heel wat op het programma: hout hakken, bonen planten (grote bonen), radijs zaaien, spinazie zaaien, de bloementuin opknappen en biechten. Met behulp van een graver uit Holland die mij tabak vroeg, zaag ik een paar bolletjes hout. Dan radijs zaaien, maar het wil niet vlotten!! Er is een geros en gerijraas van boerenkarren en auto’s, een gejaagd gepak vanuit de “Ortskommandantur”



Quisisana aan de Groenloseweg      foto coll. W.Bluemers

Alles wordt in grote haast op boerenkarren geladen. Juffr. Jansen (de familie Jansen woonde aan de achterzijde van het huis) is al opgewonden en weet dat de Engelsen dichtbij zijn.
Opeens hoor ik mitrailleurroffels, ver weg nog, richting De Bruil. Ik denk dat het inschieten is van de Duitse mitrailleurs. Maar even later een zwaardere knal, en nog een. Zijn dat de Mauribaanbrug en de Vellervoortse brug?
De landwacht ontruimt op Gertrud (villa aan de Domineesteeg met serre en erker) koortsachtig. Een stel “zwarten” holt het Rikkelder op. Even geleden zijn Stap (politiechef van de Duitsers, woonde op villa Strodak aan de Hessenweg) en Koenraads richting Borculo gefietst.
Gisteren heeft To de evacuatiekar gepakt met levensmiddelen. Nu gooit ze nog vlug wat linnengoed en kleren erin. Dan wordt besloten naar de pastorie van de R.K. kerk te gaan waar een gewelfde kelder is.
We nemen zelfs de broodtrommel mee en halen later nog een pan met 4 liter melk.      
Dan trekken Jansen en ik de evacuatiekoffer naar de pastorie en pas zijn we buiten de deur of er ligt al een rubberen band van het wiel. Op de speelplaats staan drie boerenwagens (gevorderd) met doodmoede paarden en enkele soldaten. Zij zijn gewapend met handgranaten en karabijn. Ze staan er zo zielig en verlaten, dat ik medelijden heb met de kerels. Ze zijn vriendelijk en vragen of het karretje wel passeren kan. Het lijkt me toe dat ze vechtensmoe zijn en het hopeloze van de situatie beseffen.
De pastoor (Van Soest) staat ons in de deur al op te wachten. Hij verklaart dat we vrij zijn, dat de Eng. er zijn en de Duitsers gevlucht. Het karretje kan wel buiten staan. Maar Marie (de huishoudster van de pastoor) zegt dat het wel in de bijkeuken kan.
Dan begint het schieten opnieuw. Nu harder en dichterbij. We vluchten allen in de kelder. Maar als het weer stil is, drijft de nieuwsgierigheid ons weer naar buiten, d.w.z. de mannen. Dan horen we dat reeds 4 of 5 tanks door de Dorpsstraat gereden zijn.  De (witte) pater Roeloffzen, de ziel achter de “Vluchtelingenzorg”, komt thuis. Hij vertelt, dat hij op de eerstehulppost was. Daar zijn enkele gewonde gravers binnen gebracht. Eén had een schot door de hiel. Een ander een buikschot. De laatste gaat dood. Het is een Rus. Ook een Duitse soldaat is gewond. Toen de pantserwagen doorkwam, stapte hij juist bij Hoogma (drogist waar nu keurslager Kuenen is) uit de winkel. Hij wou zijn Panzerfaust afschieten maar door een verkeerde behandeling, of hoe dan ook, keerde het wapen zich tegen hemzelf. Het sprong uiteen en rukte hem beide benen af. De pater heeft hem met behulp van iemand bij Hoogma in het schuurtje op stro gelegd. Hij is natuurlijk reddeloos. Als de pater hem over de hemel spreekt zegt hij “KQuatz”. Een andere Duitser kreeg een schot door de hand. Hij moet naar het ziekenhuis, maar er is geen vervoermiddel.




De pater zal trachten de Bruil te bereiken en meteen bij Kasteel bericht te brengen dat Marietje, het dienstmeisje van To, niet thuis kan komen. Behalve Marietje Kasteel komt om 5 uur ook nog haar zusje Rika, die meisje bij Baayens is. Verder nog Dina Venderbosch die wegens paaszaterdag de huishoudster helpt en tenslotte


Drogisterij Hoogma.        foto coll. W.Bluemers


nog Betsy het winkelmeisje van Van Langen (winkel van Sinkel waar nu autobedrijf Wolters & Wolters zit). Zij is uit de Spoorstraat weggevlucht. Daar zit nog heel alleen Marie van Langen, een krasse tachtiger, die niet te bewegen is haar huis te verlaten. Zelfs naar Teunissen wil ze niet. De pater is er op verzoek van Betsy geweest. Hij vond haar als een klein hoopje ellende in het hoekje van de kelder gedoken. Maar meegaan niet!! “Als O.L.H. mij wil bewaren kan hij dat overal”.

Het blijft de hele middag rustig en ik vrees al, dat de bevrijding weer uitgesteld zal worden. Ik zie er tegen op de hele avond en misschien de 1e Paasdag hier te zitten. Marie houdt conferentie met de onzichtbare pastoor -hij speelt waarschijnlijk patience op zijn kamer- en dan komt ze terug met de boodschap, dat het beter is te blijven. Dan geven wij ons gewonnen en we halen dekens en kussens met enkele matrassen uit de Pellenberg. De kinderen worden te slapen gelegd op de planken van de houten tafels van de handenarbeidles.
Intussen laten de Tommies op zich wachten. De pater gaat naar bed. Dina en Betsy slapen in het bed van Marie. De pastoor gaat op de divan in de zaal en de rest, in gemakkelijke stoelen in dekens gerold, blijft in de keuken.
Zo slapen we tot het vier uur wordt. Dan klinkt in de verte M.G. geroffel afgewisseld door tankkanonnen. Zou dat het begin van de bevrijding zijn? De roffels worden duidelijker. Het geluid van tankkanonnen en antitankgeschut wordt heviger.

Het klinkt nu rondom de kelder. Bij het huis van Wijler staat een anti-tankkanon opgesteld. (Wijler was manufacturier op de hoek Dorpsstraat - Groenloseweg.
Het laatst was bloemenzaak Muscari hier gevestigd.
Hij is in oktober 1941 in kamp Mauthausen omgekomen).
Er is een verwoed duel gaande tussen dit kanon en de tanks die de laan (Vordenseweg) oprijden. Ook uit verschillende mitrailleurnesten wordt geschoten. Het geschut voor de kerk zwijgt, maar het kanon uit de tuin van de Pellenberg schiet wel, getuige de ruiten die gebarsten en gebroken zijn.

Na een tijdje klinkt het schieten verder af. Ze trekken de Dorpsstraat in. Bij het postkantoor wordt nog flink geschoten, nadat de stelling bij dr. Naeff tot zwijgen is gebracht. (dokterspraktijk waar nu de Rabobank is.)
We gaan op zolder kijken en zien een lange rij auto’s en tanks in de laan. Bij Avenarius lopen stoottroepen in twee rijen het dorp in. We zijn bevrijd!! Met een zekere ontroering kijken we naar de lang verwachte Tommies. Eindelijk, eindelijk zijn ze dan gekomen. Op paasmorgen, 1 april om + 5 uur brengen ze de vrijheid.
Vanuit het raampje van de voordeur zien we er twee naar het Duitse kanon gaan. Een ogenblik zijn ze onzichtbaar en dan plotseling een vuurzuil en een hevige knal. Ze hebben het stuk laten springen.
Door de sacristie gaan we naar de kerk. Daar liggen de Rotterdamse gravers, die van Duitsland kwamen en niet verder konden. Ze zijn de kerk al uit geweest, en hebben verschillende dingen uit de stelling vóór de kerk gehaald, zoals een fles jenever, sigaren, een ham en zo meer. Daarmee gaan ze straks de overwinning vieren op hun manier.

Paaszondag 1 april.
Om zeven uur gaan Jansen en ik naar de Pellenberg om de schade op te nemen. Enkele kapotte ruiten, in de tuin veel kuilen en gaten. De heg op twee plaatsen afgezaagd en in een diepe kuil staat een antitankkanon. De Duitsers schijnen zich bij Quisisana verstopt te hebben, maar ze zijn geknipt. Ik zie een 10-  tal ontwapende soldaten, die opgebracht worden door twee Tommies. Die hebben goede zin, en groeten Jansen die achter de heg staat. Ook de Duitsers zijn niet treurig, ze hebben hun leven tenminste gered.
Als ik weer op de pastorie kom, is het halfacht. To gaat naar de H.Mis. Jansen is naar Quisisana. Daar is heel wat te halen.
In korte tijd wordt de voormalige Orts-Kommandantur leeggeplunderd. Rijst, tarwe, havermout, pudding, wijn, erwten, radio’s, fietsen. Alles hebben de Duitsers achtergelaten.

Ik ga even het dorp in om te kijken hoe het met Annie en Rien Naeff is. Rien heb ik nl. om 6 uur lopend het dorp in zien komen met een groot rood kruis op borst en rug. Hij is dus niet thuis geweest vannacht.
Ik tref hem voor zijn huis, waar hij bezig is foto’s te maken van de binnenrijdende tanks.

Het is een indrukwekkend gezicht. In twee rijen langs de weg mannen en vrouwen en kinderen, de laatste met vlaggetjes, oranje en rood-wit-blauw. Vrolijke, lachende gezichten, en aldoor wuiven naar de tanks en pantserwagens die in eindeloze rij door komen rijden. Dreigend steken de lange lopen van kanonnen vooruit, oorverdovend rammelen de rupswielen over de stenen, maar de bruine mannen die uit de open geschutstorens kijken hebben vriendelijke gezichten en lachend en wenkend beantwoorden zij het gejuich dat uit de menigte opstijgt. Het is een algemene vreugde en verbroedering en wie daar niet aan meedoen, de N.S.B.ers, zitten thuis of zijn gevlucht.

Heel veel handen heb ik al geschud als ik van Rien langs Huitink naar Avenarius loop. Daar tref ik Pim (vrouw van dokter De Lind Van Wijngaarden). Zij heeft de eerste Tommie de hand gedrukt. Bij Avenarius in de hal zie ik een gesneuvelde Duitse militair.
Zijn uniform en staalhelm zitten onder het stof en puin van het plafond. Het is een knappe jonge man. Naar verluidt zijn er twee Engelse soldaten gedood en vijf licht gewond. Eén van de doden is begraven bij Arfman, de boer waar Dick v. Raalte woont. De gewonden zijn behandeld in het huis van koperslager Besseling (nu Hanny Morssinkhof).
Ik ga naar huis. To is terug uit de kerk.
We gaan met de kinderen naar Avenarius kijken, naar de steeds aanhoudende stroom van wagens en tanks. Als we er pas staan, komen van de Grolseweg drie jonge mannen met oranje armbanden waarop het woord ‘Oranje’ staat. Een van hen is Kerkwijk, de knecht van smid Venderbosch. Hij was na de arrestatie van Dimmendaal (horlogemaker aan de Dorpsstraat)                                                              
verzetsman en omgekomen in kamp Reihershorst, 11 april 1945) ondergedoken. Nu is de reden duidelijk: hij behoort bij de ‘ondergrondse’. Ze vragen naar Dr. de Lindt (praktijk in Roderlo aan de Groenloseweg). Die schijnt het hoofd van de ordedienst te zijn.


1 april 1945 Tanks en pantservoertuigen bij R.K.kerk en in de Domineesteeg.                            foto: familie Gerdes

Als we thuiskomen, staat het hele dorp reeds vol auto’s en tanks en pantserwagens.
De Domineesteeg, de Stationsstraat, de Dorpsstraat alles is volgepakt. De soldaten springen uit de wagens. Sigaretten worden uitgedeeld en kinderen krijgen chocolade. De verbroedering komt vlug. Door voordeur en keuken komen ze binnen. To moet eieren koken, een hele staalhelm vol. Heet water vragen ze voor hun thee. Thee hebben ze bij zich in blikken busjes, vermengd met suiker en gecondenseerde melk. Eindelijk om kwart voor tien ontbijten we pas. Om tien uur ga ik naar de hoogmis.

Dan gaan we weer naar Avenarius en zien dat de ordedienst de N.S.B.-ers ophaalt. Dan spreekt mij een soldaat aan en vraagt of ik een radiotoestel wil kopen. Ik ga mee en uit een vrachtauto wordt een toestel gehaald. Het blijkt een Erres zonder ultra korte golf. De Tommie vraagt 100 gulden. Ik bied 50 en heb het geval. Er zijn velen die mij het toestel benijden, maar ik moet nog afwachten of het speelt. Stroom is er niet, dus kan ik het niet proberen ook.
De hele dag knalt het geschut met angstaanjagend gedonder. Bij het station staan vier vuurmonden, meterslange pijpen steken schuin de lucht in en bijna op hetzelfde ogenblik laten ze hun donder over het dorp vallen.
Even later volgt dan een batterij lichter geschut die opgesteld staat bij de ‘Oude God’ (bosje aan de Barchemseweg). Over ons heen vliegen de granaten naar het Twente-Rijnkanaal, waar de Duitsers nog zitten. Zullen ze het vuur beantwoorden? Komt hier in het dorp straks een regen van granaten? We zijn optimistisch. Ze zullen het zware geschut wel niet hier hebben. En het blijkt juist. ’s Avonds zijn de stukken alweer naar Lochem verplaatst en horen we het gedonder verder af.
Ik ga nog even naar Rien en Annie, die een vreselijke nacht hebben gehad: voor het huis een anti-pantserkanon, achter het huis een M.G.-nest. De kogels hebben de serre doorzeefd, zijn zelfs in hun bed terechtgekomen. Annie heeft met de kinderen en het personeel in de kelder gezeten.

Thuis moet ik nog vlug de bedden en dekens van de pastorie halen. Om zeven uur moeten we binnen zijn. To is klaar met het middageten. Het is een heel vreemde dag. Als de kinderen eindelijk rustig slapen op hun gewone plaats in de salon, zitten wij in de woonkamer. Maar het oorlogsrumoer is nog rond ons. Tanks en vrachtwagens ratelen ononderbroken en in de keuken zijn vijf Tommies aan het bakken en  koken. Ze hebben zich licht verschaft met een batterij. Een zit te lezen, de rest wast zich of kookt.
Als ik in de keuken kom, krijg ik 200 Consi sigaretten cadeau. ’t Is een kerstpakket voor de D. Wehrmacht. Zeker ergens als krijgsbuit veroverd.
Om 11 uur gaan onze gasten naar boven. Ze hebben zelf dekens etc. bij zich en in korte tijd is het rustig in huis. Maar buiten houdt het eindeloze gerij aan, nu van de kant van Groenlo. Eén ononderbroken stroom materiaal gaat door naar Lochem en Borculo . . . .
In de verte beuken de kanonnen.

Paasmaandag 2 April.
To gaat om 9 uur naar de H.Mis; ik naar de Hoogmis. Onze Tommies zijn al tijdig reisvaardig. Ze laten tweefles wijn voor ons achter. Het is een hele toer om ze met alles wat hun toebehoort weg te krijgen. Ze zijn erg zorgeloos, vergeten telkens iets mee te nemen. Als ze met pak en zak in hun auto zitten, die voor het huis staat, neem ik een foto, met de kinderen op de voorgrond. Ook één van Bennie bij het kanon.
Als onze slapers pas weg zijn, komen drie soldaten kwartier vragen. Liefst maar voor 10 man tegelijk. Het lukt. Vier op elke kamer en 2 op de gang. Ze zijn niet veeleisend en slapen op de grond. Alleen brengen ze een lading straatvuil mee naar binnen. Ze vragen een plaats om te koken. Dat kan in de keuken. Hele pakken beddengoed worden naar boven gesjouwd, in de keuken een kist met etenswaren. Het zijn de meest onwaarschijnlijke dingen, die wij zien. Smetteloos wit brood, sardientjes in blik, cornedbeef, een erwtenstamp in blik, zalm, alles in blikverpakking. Op het aanrecht staat een snelkoker. Benzine erop, een grote waterketel en het leven begint. Er komt een grote varkensbout te voorschijn.

To krijgt de helft en moet dan de andere helft braden. Om 4 uur willen ze eten. Maar het mag niet zijn. Ze moeten om 2 uur vertrekken komt plotseling het bericht. Ontmoedigd zegt de woordvoerder: ‘Braadt u maar niet, wij hebben genoeg, It is all for you.’ To neemt een paar malse stukken en braadt ze toch maar in hun boter - ook in blikjes -.

Even later komt het bericht: ze mogen eerst eten. Dan bakt To voor alle negen een ei, ze eten van de varkenskluif met aardappelen en jus. Uit dankbaarheid laten ze behalve de varkenskluif verschillende blikjes achter, o.a.sardientjes, terwijl ik voor het ei van verschillenden sigaretten krijg. Ik rook weer Engels, maar tegen de middag heb ik zware hoofdpijn.
We eten laat en als we nog aan de afwas bezig zijn, komen Jopie en Frans op bezoek. Dat is een prettige verrassing en we drinken een flesje wijn op de bevrijding.
Dan gaan we naar bed. Allen in de salon
We zijn doodmoe en slapen heerlijk.

Historische Vereniging "Old Reurle"
KvK Arnhem nummer 40103401
E-mail: info@oldreurle.nl
Sinds januari 2013 culturele ANBI instelling
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu