Ruurlose jongens in Franse dienst - Old Reurle

Historische Vereniging
"OLD REURLE"
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Ruurlose jongens in Franse dienst

Lotelingen uit Ruurlo

Gevallen in dienst van Napoleon

Een van de hoofdstukken in het boek ‘Bonenstaken tegen Bajonetten’ is gewijd aan de conscriptie, aan de jongens uit Ruurlo die waren ingeloot om te dienen in het Franse leger. Het hoofdstuk is de weergave van een moeizame zoektocht en deels gebaseerd op een aantal aannames die op dat moment logisch leken, maar die bij nader inzien niet altijd juist zijn gebleken. Vandaar deze aanvulling, nu vanuit de Franse archieven steeds meer informatie beschikbaar komt.

Alvorens een overzicht te geven van de nieuw beschikbaar gekomen informatie nog even een korte schets van de situatie in de tijd dat Napoleon hier de scepter zwaaide en de dienstplicht invoerde. Per 9 juli 1808 wordt Nederland per decreet ingelijfd bij het Franse keizerrijk, daarvoor was ons land vanaf 1806 een koninkrijk met Napoleons broer Lodewijk Napoleon als koning. Met de inlijving bij Frankrijk doet ook de Franse staatsstructuur en wetgeving zijn intrede. Nederland en Vlaanderen worden samengevoegd en onderverdeeld in 17 departementen. In plaats van marken en steden wordt Nederland nu onderverdeeld in cantons. Ruurlo vormt met Vorden en Hengelo het canton Vorden, dat behoort tot het departement van de Boven-IJssel.
Per decreet van 18 oktober 1810 voert Napoleon ook in Nederland de dienstplicht in, zoals die in Frankrijk al langer bestaat. Elk canton moet op basis van het aantal inwoners een bepaald aantal dienstplichtigen leveren voor het Franse leger. In het voorjaar van 1811 worden de eerste concrete stappen gezet met het oproepen van de Classe van 1808 (de jongens uit het geboortejaar 1788). Voor het canton Vorden bedraagt dat aantal tien voor de jaargang 1808, voor 1812 is dat opgelopen tot twaalf. Wie in dienst moet wordt bepaald aan de hand van een loting, vandaar de termen conscriptie (wat loting betekent) en conscrit (loteling). Voor een loting van een bepaalde jaargang worden alle jongemannen opgeroepen die in dat jaar de leeftijd van 20 jaar bereiken.

Nieuwe bronnen
Probleem bij het inventariseren van welke Ruurlose jongens deel hebben uitgemaakt van het Franse leger was de gebrekkige en onvolledige informatie die bewaard is gebleven in het Ruurlose archief over de betreffende jaren 1808 tot en met 1812. Alleen over de jaren 1810, 1811 en 1812 is de lotingslijst terug te vinden, maar ook dan is niet duidelijk wie daadwerkelijk in dienst heeft gemoeten. Want na de loting werden de jongemannen nog gekeurd in Zutphen, om te beoordelen of ze het soldatenleven ook daadwerkelijk aankonden. Met ‘lamme benen’ is het tenslotte moeilijk marcheren. Ook de situatie thuis kon reden zijn om onder de dienstplicht uit te komen. Was men enige zoon van een weduwe, dan werd men bijvoorbeeld vrijgesteld.
Alleen van de jaargang 1810 is een lijstje bewaard gebleven waarop staat vermeld welke vier jongens zijn ingeloot en wanneer ze zich bij de kazerne in Arnhem moeten melden (plus een reserve, voor het geval er op het laatste moment nog iemand afvalt).
Aan de hand van de lotingslijsten, voor zover die aanwezig zijn, hebben we in het boek een overzicht gegeven van jongens uit Ruurlo die (waarschijnlijk) hadden gediend in het Franse leger. Vervolgens hebben we met behulp van gegevens uit de trouw- en overlijdensregister geïnventariseerd wie zijn diensttijd (waarschijnlijk) niet had overleefd. Omdat niet bekend was in welk legeronderdeel ze hadden gediend kon ook niet worden achterhaald bij welke acties en veldslagen ze betrokken geweest zouden kunnen zijn. Een moeizame exercitie al met al, met een onzekere uitkomst. Vanwege de geleden verliezen werden de overlevenden bovendien in andere gedecimeerde regimenten en bataljons ondergebracht en dat maakt het zoeken nog weer moeilijker.
Inmiddels is de samenstelling van alle Franse regimenten en andere legeronderdelen uit die periode digitaal beschikbaar gekomen. Zie http://www.memoiredeshommes.sga.defense.gouv.fr/fr/article.php?laref=1. Helaas zijn er op dit moment nog geen alfabetische indexen en dat maakt het zoeken alsnog tot een moeizame en tijdrovende klus.

Maar inmiddels zijn uit dit gigantische bestand wel alle Nederlandse namen gevist en alfabetisch geordend. Deze namen zijn te vinden op: http://www.archieven.nl/mi/2231/?mizig=364&miadt=2231&milang=nl&misort=last_mod|desc&miview=tbl. In dit bestand kan ook op geboorteplaats worden gezocht en dat is natuurlijk ideaal bij het doen van lokaal onderzoek. Probleem daarbij is nog wel dat deze plaatsnamen vaak zijn verfranst of gewoon verkeerd gespeld. Zo staat er bij Hendrik Christiaan Raad als geboorteplaats Roelen genoemd, bij Garrit Bensink is dat Reculo, bij Harmen Hiddink Nunelo en bij Gerard Bannink zelfs Ophalle. De oorzaak van die laatste verschrijving zullen we later nog uitleggen. In ieder geval kwamen de genoemde jongens allemaal wel degelijk uit Ruurlo.
Bij het zoeken naar lotelingen in het hele canton Vorden is het een extra moeilijkheid dat er in de lijst van plaatsnamen maar één Hengelo wordt vermeld, wat betekent dat de jongens uit Hengelo (Gld) en Hengelo (O) door elkaar in één overzicht worden genoemd. Dat betekent extra zoekwerk. Bovendien is niet altijd duidelijk onder welk kanton bijvoorbeeld Halle en Zieuwent zijn ondergebracht. Het is dus nog de vraag in hoeverre de geboden gegevens compleet zijn, al worden ze gaandeweg steeds meer verfijnd en aangevuld. Eind 2017 misten we wat Ruurlo betreft in ieder geval nog vijf namen, waarvan er vier met zekerheid voorkomen in de originele Franse lijsten.

Alle beschikbare gegevens samenvattend is bijgevoegde lijst samengesteld van Ruurlose jongens die in het Franse leger hebben gediend. Omdat nu bekend is  in welk legeronderdeel ze waren ondergebracht kunnen we ook in grote lijnen achterhalen wat hun lot is geweest. Omdat de spelling van sommige namen behoorlijk verfranst is en er nogal eens afwijkingen voorkomen in de geboortedata zijn de oorspronkelijke gegevens uit de dtb-boeken gehanteerd, met daaronder tussen haakjes de gegevens zoals die zijn te vinden op memoiredeshommes en archieven.nl.

Kanttekeningen
Eerst even wat kanttekeningen bij het overzicht. Zoals te zien is ontbreken de Ruurlose jongens volledig in de Classe van 1808 (geboortejaar 1788) op archieven.nl. Dat lijkt op het eerste gezicht niet te kunnen kloppen, omdat het canton Vorden voor dat jaar een contingent van tien manschappen moest leveren. Bij nadere beschouwing blijkt echter dat er zowel uit Vorden als uit Hengelo vijf lotelingen naar het leger zijn afgemarcheerd. Met andere woorden, de jongens uit Ruurlo hebben het in die jaargang enorm getroffen met de loting en zijn alle buiten schot gebleven (voor zover ze niet om andere reden zijn afgekeurd of vrijgesteld). Het betekent dat het verhaal dat door de verre nazaten van Garrit Geltink wordt verteld, als zou hun voorvader (geb. 7-5-1788 in Ruurlo) hebben gediend in het Franse leger, waarschijnlijk niet waar is. Zijn naam is ook niet terug te vinden in de lijsten op archieven.nl.
Het betekent ook dat de veronderstelling in ‘Bonenstaken tegen Bajonetten’, dat wanneer een jongeman geen carte civique kreeg uitgereikt waarschijnlijk betekende dat hij op dat moment dienst deed in het Franse leger, onjuist is. Cartes civiques waren een soort identiteitskaarten en werden uitgereikt vanaf 1813 aan iedereen die 21 jaar was of ouder. Het blijft natuurlijk een interessante vraag waarom iemand dan geen carte civique kreeg (plotseling overleden, onvindbaar of andere redenen?), maar met de dienst in het Franse leger heeft het dus niet perse te maken. Dat geldt uiteraard ook voor de lichtingen van de jaren na 1808.

Harmen Dengerink, een van de lotelingen uit de Classe van 1809 (geboortejaar 1789), is in Vorden geboren. In de lijsten van archieven.nl is hij dan ook onder de dienstplichtigen uit deze plaats terug te vinden. Datzelfde geldt ook voor Jan Hilferink en Hendrikus Nijhuis uit de Classe van 1812 (geboortejaar 1792). Zij zijn beide in Hengelo (Gld) geboren. Alle drie wonen ze ten tijde van de loting echter in Ruurlo, vandaar dat ze in ons overzicht van Ruurlose jongens zijn meegenomen.
Bij Albert Dijkman wordt in de lijsten van memoiredeshommes en archieven.nl abusievelijk Vorden genoemd als geboorteplaats, maar dat moet wel degelijk Ruurlo zijn. Waarschijnlijk heeft hij dat zelf verkeerd aangegeven. Lotelingen die in Ruurlo zijn geboren maar ten tijde van de loting elders werkten (zoals Hendrik ten Arve, hij werkte als boerenknecht in Vorden) zijn uiteraard als Ruurlose jongens meegeteld.

Hendrik Christiaan Raad wordt in ‘Bonenstaken tegen Bajonetten’ foutief opgevoerd als Christiaan Rond. In de lijsten van memoiredeshommes komt zijn naam voor als Hendrik Christiaan Roth.

In de Classe van 1810 komen we de naam tegen van Jan Berend Penterman, geboren en getogen op Kunnen in Marienvelde. Hij stond in eerste instantie als reserve genoteerd, maar door het wegvallen van een van de ingelote jongens (Harmen Haitink) heeft hij alsnog op moeten draven. Van Harmen Haitink is na de loting geen spoor meer gevonden in de archieven, dus het is vooralsnog onbekend wat er met hem aan de hand is geweest.

Over de Classe van 1811 kan worden gemeld dat Garrit Jan Steman voor de tweede keer meedoet aan de loting, nadat hij het jaar daarvoor was teruggewezen wegens ‘zeer op het hoofd’. Garrit Jan trekt weliswaar nr. 1, maar blijkbaar laat zijn lichamelijke conditie nog steeds te wensen over, want we vinden hem niet terug in de lijst van dienstplichtigen en hij is de dans dus in ieder geval ontsprongen. Het lijkt erop dat er dat jaar veel meer jongemannen tobben met hun gezondheid, want uiteindelijk moet Garrit Jan ter Haar als nr. 31 nog opdraven, terwijl het canton Vorden in totaal maar twaalf man hoeft te leveren. Het jaar daarop, als de lichting van 1792 aan de beurt is, doet zich hetzelfde verschijnsel voor. Ook deze keer hoeft het canton Vorden maar twaalf man te leveren, maar evengoed is Hendrik Jan Berenschot met nr. 23 nog de klos.

De naam van Hendrik Jan Ligtenbarg ontbrak anno december 2017 nog in de lijsten van archieven.nl, hoewel op de definitieve lotingslijst (daterend van 20 maart 1813, de lotelingen zijn dan al gekeurd) achter zijn naam staat vermeld: ‘in activen dienst gesteld’. Voor zover er niets dramatisch is gebeurd, zoals een ongeluk of een plotselinge ziekte, heeft hij dus wel degelijk in het Franse leger gediend. Alleen weten we (nog) niet in welk legeronderdeel dat is geweest.  Van Hendrik Jan Ligtenbarg ontbreekt verder elk spoor, dus te vrezen valt dat hij ergens is omgekomen in de strijd.

Zoals uit het overzicht blijkt maakten vijf jongens uit Ruurlo deel uit van het 88e Cohorte. Volgens het boek ‘Het Franse Nederland: de inlijving 1810-1813’ werden de cohortes gevormd in 1812 als uitvloeisel van een hervorming van het leger aan de vooravond van de veldtocht tegen Rusland. De cohorten waren vooral bedoeld voor de binnenlandse ordehandhaving en bescherming van de landsgrenzen, dus niet voor buitenlandse oorlogsvoering. De Hollandse departementen leverden drie cohorten, waaronder het 88e Cohorte. In januari 1813 werden de drie genoemde cohortes, na de rampzalige veldtocht tegen Rusland, alsnog naar Duitsland gestuurd en daar omgevormd tot het 146e, 147e en 148e Regiment Infanterie van Linie. Als zodanig waren ze betrokken bij de diverse veldslagen in Duitsland in dat jaar, voorafgaand aan de Volkerenslag bij Leipzig, waar Napoleon het onderspit moest delven.
Een cohorte telde 880 manschappen (later opgehoogd tot 1120) en werd volgens de hiervoor genoemde bron in eerste instantie samengesteld uit jongemannen tussen 20 en 26 jaar die niet waren ingelijfd bij het reguliere leger, dus als aanvulling op de eigenlijke conscriptie. Daar moeten echter vraagtekens bij worden gezet. Gerrit Jan Tragter en Harmen Dengerink krijgen in ieder geval opdracht om zich op 23 februari 1812 als reguliere lotelingen in Arnhem te melden, net als Berend Penterman en Garrit Bannink.

Blijkbaar is er ook nog een lichting 1813 geweest (geboortejaar 1793). De loting daarvoor zou normaliter begin 1814 hebben plaatsgevonden, maar is na de veldtocht in Rusland naar voren gehaald. In het archief van Ruurlo is over deze lichting niets te vinden, maar uit de archieven van memoiresdeshommes blijkt dat daar vier jongens uit Ruurlo voor zijn ingeloot. Die worden ingedeeld bij het 27e Regiment Infanterie van Linie, dat is ingezet bij de gevechten die Napoleon leverde in Duitsland vanaf het voorjaar van 1813.

Een bijzonder geval is Philip George Viëtor, in Ruurlo geboren als zoon van dominee Philippus Johannes Viëtor en diens vrouw Henrica Arnolda Nies. Hij is geen conscrit, geen loteling, maar heeft waarschijnlijk op enig moment vrijwillig dienst genomen in het leger. Naar mag worden aangenomen al in het Bataafse leger, dat bestond voordat ons land werd ingelijfd bij Frankrijk. Dat zal dan het 4e Bataafse Regiment geweest zijn, dat gevormd is in juni 1805 en dat na de inlijving bij Frankrijk in 1810 wordt omgezet in het 125e Regiment Infanterie van Linie.
Ook Willem Aalbers (ook wel Albers of Alberts, geboren op 20-11-1785) is geen reguliere loteling. Hij meldt zich bij het 123e Regiment Infanterie van Linie als remplaçant (vervanger) van Gijsbert Blokhuijs uit Barneveld, een loteling uit de jaargang 1811. De mogelijkheid om een vervanger op te laten draven werd vooral gebruikt door rijkere families, want de stand-in deed dat natuurlijk alleen voor een financiële vergoeding. Het 123e Regiment had als thuisbasis de legerplaats St. Omer in Noord-Frankrijk, maar verder zijn van dit Regiment vrij weinig details bekend.

De veldtocht naar Rusland
Alle regimenten en cohorten waarin de Ruurlose jongens volgens het overzicht hebben gediend behoorden tot de zogenoemde negen Nederlandse regimenten, waarin voornamelijk Nederlandse dienstplichtigen dienden. Het is in ieder geval bekend dat van deze negen regimenten het 123e, 124e, 125e en 126e Regiment Infanterie van Linie, het 11e Regiment Huzaren en het 33e Regiment Lichte Infanterie hebben deelgenomen aan de veldtocht van Napoleon naar Rusland. Al deze regimenten maakten deel uit van het 9e Legerkorps van Napoleon.
Bij infanterie gaat het om soldaten te voet. Infanterie van Linie wil zeggen dat bij gevechten de soldaten zich in achter elkaar gelegen linies opstelden, om vervolgens linie voor linie vuur te geven. Bij Lichte Infanterie gaat het eveneens om soldaten te voet, maar met een lichtere uitrusting, zodat ze zich sneller konden bewegen. Zij stelden zich op in een lossere formatie. Een huzaar is een soldaat te paard, meestal licht bewapend.
Hoewel de aantallen sterk verschillen, afhankelijk van de geraadpleegde bron, lijkt een aantal van omstreeks 20.000 Nederlandse soldaten die hebben deelgenomen aan de veldtocht tegen Rusland een redelijke schatting. Het 123e t/m 126e Regiment bestonden elk uit vijf bataljons van omstreeks 800 man. Dat geeft een aantal van zo’n 4.000 per regiment, ofwel 16.000 in totaal. Voor het 33e Regiment Lichte Infanterie wordt eenzelfde aantal genoemd. Voor het 11e Regiment Huzaren zijn geen aantallen gevonden, maar we komen dan al dik boven een totaal van 20.000 man. Door desertie en uitvallers wegens ziekte zal het aantal echter weer wat naar beneden bijgesteld moeten worden. Van het 33e Regiment Lichte Infanterie is bekend dat er tussen Bremen en Braunschweig al zo’n 80 man zijn gedeserteerd, medio juni 1812 zijn er van dit regiment nog maar 2.500 man over. Een totaal van 20.000 man voor de Nederlandse regimenten lijkt daarom een redelijke benadering.
Ook over de omvang van de complete Grande Armée lopen de schattingen nogal uiteen, maar over een minimum van 500.000 soldaten lijken de deskundigen het wel eens. Daarvan zouden minder dan 50.000 hun vaderland terug zien en dat geeft wel enig idee van de omvang van de catastrofe waarin de veldtocht naar Rusland zou ontaarden.

Over de dramatische veldtocht van Napoleon naar Rusland zijn vele boeken geschreven waarin de troepenbewegingen en gebeurtenissen tot in detail zijn uitgezocht. Daarnaast zijn er de authentieke verslagen van overlevenden van de veldtocht, soms tientallen jaren na terugkeer toevertrouwd aan het papier. Zoals van kapitein Carel Jacob Wagevier, die het bevel voerde over het 2e bataljon van het 125e Regiment. Met name deze verslagen uit de eerste hand geven inzicht in de vaak gruwelijke details van deze helletocht, waarmee vooral de gewone soldaten te maken hadden. Wij beperken ons hier voornamelijk tot de grote lijnen en concentreren ons daarbij vooral op de lotgevallen van de regimenten waar de jongens uit Ruurlo deel van uitmaakten.

Met ingang van 1811 zegt tsaar Alexander I van Rusland het verdrag op met Frankrijk waarin een handelsblokkade van Engeland is afgesproken (bekend als het Continentaal Stelsel) en hervat hij de handel met de Engelsen. Als antwoord daarop verklaart Napoleon op 22 juni 1812 formeel de oorlog aan Rusland. De voorbereidingen van de veldtocht naar Rusland waren toen echter al geruime tijd aan de gang. Al op 9 mei 1812 vertrekt Napoleon uit zijn paleis en stelt zich aan het hoofd van zijn Grande Armée, dat vervolgens vanuit Dresden oostwaarts trekt richting Moskou.
De Grande Armée rukt op in drie kolonnes, het 9e Legerkorps (onder commando van maarschalk Victor-Perrin) met de Nederlandse regimenten volgt de noordelijke route. Via Hamburg trekt men richting Gdansk en verder naar het oosten. Van de eerste drie bataljons van het 125e regiment is bekend dat ze op 29 juni 1812 uit Groningen vertrekken. De overige twee bataljons van dit regiment, met voornamelijk Gelderse rekruten, zullen waarschijnlijk rond dezelfde tijd uit Arnhem zijn vertrokken. Ook de andere regimenten zullen bij benadering in dezelfde periode aan hun lange mars zijn begonnen. Het 33e Regiment Lichte Infanterie is al eerder, begin maart 1812, vanuit Stettin naar het oosten opgerukt.
Aanvankelijk is er wat krijgshandelingen betreft niet zo veel aan de hand en kon men ongehinderd optrekken richting Rusland. Alleen de omstandigheden (in juni was het drukkend heet) en ziektes als dysenterie en tyfus eisten een hoge tol. Medio juli waren er van de Grande Armée al zo’n 180.000 manschappen omgekomen door ziekte, vermoeidheid en gebrek, zonder dat er ook maar enige slag was gevoerd.
Bekend is dat delen van het 124e Regiment betrokken zijn geweest bij de slag bij Polotsk in Wit-Rusland op 16 en 17 augustus 1812. Met rampzalige gevolgen, van de ruim 600 manschappen waren er na de slag nog amper honderd over. Willem Pasman maakt op dat moment echter nog geen deel uit van het  124e Regiment, want de loting van de lichting 1811 vindt pas plaats op 16 oktober 1812. Ook het 123e Regiment, met Willem Aalbers en Jan Berend Penterman, was betrokken bij de slag bij Polotsk, al zijn de verliescijfers hiervan niet bekend. Mogelijk dat ook deze beide jongemannen hier al hun einde hebben gevonden.

Het 125e Regiment bereikt op 15 augustus 1812 Königsberg, waar diezelfde dag nog een feest wordt georganiseerd ter ere van de verjaardag van Napoleon. Eind augustus trekt men verder en op 29 september 1812 wordt Smolensk bereikt. De stad ligt dan al in puin nadat de hoofdmacht van Napoleon hier slag heeft geleverd. Om in hun levensonderhoud te voorzien zijn de soldaten aangewezen op strooptochten tot in de verre omgeving. De mannen hebben dan ruim 2.000 km afgelegd in pakweg 75 dagen, de meesten te voet (alleen de officieren beschikten over paarden). Door een epidemie van dysenterie (ongetwijfeld als gevolg van de vochtige omstandigheden, het ontbreken van onderdak en de gebrekkige voeding) vallen tijdens het verblijf in Smolensk veel slachtoffers bij het 125e Regiment.

Als het 125e Regiment eind september Smolensk binnentrekt is het lot van de Grande Armée achteraf bezien in feite al bezegeld, maar dat is de betrokkenen op dat moment nog niet duidelijk. Op 7 september heeft de Slag bij Borodino plaats gevonden, waar de hoofdmacht van de Fransen de Russen weliswaar verslaat, maar waar 30.000 tot 50.000 manschappen sneuvelen en even zovele paarden verloren gaan. Op 14 september 1812 staan de Fransen voor de poorten van Moskou, de hoofdmacht van Napoleon is dan geslonken tot minder dan 100.000 man. Moskou is echter niet meer dan een brandende ruïne en alle voorraden en levensmiddelen zijn door de Russen vernietigd.
Een maand brengen de Fransen nog door in het desolate Moskou, in de hoop dat de tsaar de capitulatie zal tekenen. Dat blijft echter uit en als de winter invalt en de temperaturen steeds verder dalen weten zijn generaals Napoleon ervan te overtuigen dat overwinteren geen optie is. Op 19 oktober 1812 neemt Napoleon de beslissing om Moskou te verlaten en terug te trekken richting Smolensk, vijf dagen later begint de terugtocht. Voortdurend geschaduwd door Russische troepen die de Fransen waar mogelijk het leven zuur maken. De tactiek van de verschroeide aarde die de Russen toepassen zorgt ervoor dat de Fransen nergens voedsel en leeftocht vinden en voortdurend honger lijden.
Het 9e Legerkorps, met daaronder de Nederlandse regimenten, krijgt op 12 oktober opdracht het kamp bij Smolensk op te breken. Aanvankelijk trekken ze nog richting Moskou, maar na het besluit van Napoleon om terug te trekken krijgt het 9e Legerkorps de opdracht om de weg vrij te maken voor de restanten van de Franse hoofdmacht en trekt dan weer westwaarts. In feite vormen ze nu de voorhoede van het zich terugtrekkende Franse leger.
Delen van het 33e Regiment lijken Moskou nog wel gehaald te hebben, maar op de weg terug uit Rusland raken deze op 17 november 1812 betrokken bij zware gevechten in de buurt van Krasnoje. Het 33e Regiment telt dan nog maar zo’n 830 man en wordt in deze slag verder gedecimeerd tot slechts 78 man, waarvan 25 ongedeerd. Na de loting op 25 februari 1813 wordt Hendrik Jan Berenschot bij dit onderdeel ingedeeld, maar dan is de veldtocht naar Rusland al voorbij.

Over de Berezina
De totale stoet van terugtrekkende Fransen is begin november meer dan 100 km lang. Omdat het vernietigde Smolensk geen geschikte locatie is om een winterkamp op te slaan wordt besloten om in de buurt van Borisov over de Berezina te trekken. Nederlandse pontonniers krijgen de taak om pontonbruggen aan te leggen en met name het 125e en 126e Regiment krijgen de opdracht om deze te beschermen tegen de aanvallen van de Russen. De bestaande brug is door de Russen vernietigd en Borisov zelf is tot een ruïne verworden. Weliswaar is de Berezina ter plekke niet overdreven breed, plaatselijk niet meer dan 15 à 20 meter, maar voor een leger met paarden, wagens en kanonnen evengoed een bijzonder hinderlijk obstakel.
In de buurt van Borisov hebben de Fransen een noodhospitaal ingericht in twee boerenschuren, waar twee- tot driehonderd gewonden zijn samengebracht. Als deze door onvoorzichtigheid in brand vliegt (op de dorsvloer worden vuren gemaakt om warm te blijven) voltrekt zich een menselijk drama dat in latere verslagen door verschillende getuigen wordt vermeld. Joseph Abbeel, een Vlaming, beschrijft het in zijn memoires als volgt: ‘Weldra werden er verschillende vuren ontstoken. Omdat het hard waaide, kwamen enkele vonken op het stro terecht en in een oogwenk stonden de twee schuren in vuur en vlam. De mannen in de schuur wilden allemaal als eerste naar buiten vluchten, maar in het tumult raakten de deuren geblokkeerd, zodat iedereen die nog binnen was, in de val zat. Desondanks deed het ons goed om ons aan het vuur te warmen en hadden wij plezier toen we de kardoezen (de papieren hulzen waarin het kruit voor de kogels werd bewaard, PtA/JO) hoorden knallen die de ongelukkigen in de brandende schuur nog bij zich hadden. De volgende morgen vertrokken wij, zonder nog over dit voorval te spreken. Het enige wat wij hierover nog tegen elkaar zeiden, was dat de verbrande soldaten beter af waren dan wijzelf. Verder gingen onze gedachten niet.’

Als Napoleon de Berezina bereikt is zijn hoofdmacht geslonken tot pakweg 50.000 manschappen. Velen zijn omgekomen in de strijd of door de geleden ontberingen, een flink aantal is ook krijgsgevangen gemaakt. Aanvankelijk verloopt de oversteek nog redelijk geordend, maar als het 125e en 126e Regiment bezwijken onder de voortdurende druk van de Russen ontstaat een enorme chaos. Beide regimenten worden vrijwel volledig van de kaart geveegd, als ze zich op 28 november 1812 overgeven tellen ze nog amper 300 man. Onder de wachtende rijen voor de bruggen breekt dan paniek uit en iedereen wil zo snel mogelijk naar de overkant. Door de drukte en door kanonvuur van de Russen vallen er steeds meer gaten in de bruggen, terwijl de doden en gewonden zich opstapelen. Als de soldaten die al aan de overzijde zijn aangekomen vrezen dat de bruggen in handen zullen vallen van de Russen steken ze die in brand, waardoor iedereen die zich nog op de bruggen bevindt in het water belandt en bijna zonder uitzondering verdrinkt. Abbeel (die zelf tot degenen behoort die er al vroeg in slagen om de veilige overzijde te bereiken) schrijft daarover: ‘De Fransen die toen nog aan de overkant waren, probeerden over te steken via het ijs, maar dat was nog niet sterk genoeg om zo’n groot aantal wagens, koetsen, paarden en mensen te dragen. Het ijs scheurde en iedereen verdronk met paard en staart.’

Taco Tichelaar schetst op zijn website de hel bij de Berezina als volgt: ‘De Russen slaagden erin een batterij in positie te brengen en het vuur te openen op de mensenmassa die de brug trachtte te bereiken. Duizenden mannen van allerlei legers, soldaten, officieren, zelfs een generaal, proberen zich in totale verwarring een weg door de menigte te banen. Om schokken en trillingen te vermijden moeten ze een voor een afstijgen. De spekgladde brug, net boven de waterspiegel, lag bedekt met paardenmest. Geen enkele plank is zichtbaar. De brug schudt en wankelt voortdurend. Pontonniers, die tot hun oksels in het water staan, zijn constant bezig de bruggen te herstellen. Ze worden elk kwartier afgelost. Om acht uur ‘s avonds stort de tweede brug in; drie uur later is die hersteld. Om twee uur ‘s nachts zakt de brug opnieuw in en is drie uur later zover hersteld dat de overtocht door kan gaan.’

Begin november lagen de temperaturen al rond 10 ºC onder nul, maar eind november, wanneer de oversteek van de Berezina plaatsvindt, zijn de temperaturen gedaald tot 25 ºC onder nul. Wie de oversteek heeft overleefd krijgt in de eerste week van december te maken met een dieptepunt tot 37 ºC onder nul. Het zijn barre condities waartegen maar weinigen bestand zijn. Degenen die neervallen worden voordat ze de laatste adem uitblazen al ontdaan van de restanten van hun uniform, om aan de overlevenden nog enige beschutting te bieden tegen de barre kou. Taco Tichelaar: ‘een eindeloos durende terugtocht, waar om elke hap eten werd gevochten, waar een plaats aan het vuur alleen werd gegund als men ook zelf hout meebracht, waar gewonden werden beroofd van dekens, van schoeisel en kleren, waar zieken werden ‘gedumpt’ om onderdak, wagens en paarden voor validen te verkrijgen om de maandenlange, vrijwel uitzichtloze voettocht door de hel te kunnen doorstaan.’

De nasleep
Van de ooit zo roemruchte Grande Armée keert uiteindelijk hooguit een tiende van de soldaten terug. In grote lijnen is een op de tien gesneuveld in de strijd, twee op de tien zijn krijgsgevangen gemaakt en maar liefst zeven op de tien zijn gestorven door ziekte, uitputting, kou en honger. Ook van de omgekomen jongens uit Ruurlo is geen duidelijkheid te krijgen over het moment en de manier waarop ze zijn omgekomen, maar gezien deze cijfers zal dat eerder zijn door ontberingen dan door het directe oorlogsgeweld.
Napoleon zelf is op 18 december 1812 weer terug in Parijs en stort zich op de reorganisatie en het op krachten brengen van zijn leger voordat zijn vijanden bloed ruiken. Inderdaad verklaart Pruisen (voormalig bondgenoot van Napoleon) Frankrijk de oorlog op 27 maart 1813. Napoleon kiest voor de aanval als de beste verdediging en trekt op naar Pruisen. Op 2 mei 1813 vindt de Slag bij Lutzen plaats, waar de Fransen een overwinning boeken op de geallieerde Russisch-Pruisische strijdkrachten. Op 26 en 27 augustus volgt de Slag bij Dresden, kort daarna de Slag bij Kulm op 30 augustus. Bij Dresden behaalt Napoleon een klinkende overwinning, maar bij Kulm volgt een moeizame strijd waarbij hij zo’n 15.000 manschappen verliest (gesneuveld, gewond of krijgsgevangen genomen). Bij al deze slagen is ook het 27e Regiment Infanterie van Linie betrokken. In hoeverre het 88e Cohorte betrokken is geweest bij de diverse schermutselingen is niet te achterhalen, maar het lijkt erop dat Jan Hendrik te Paske de strijd met de dood heeft moeten bekopen.
Al deze schermutselingen culmineren in de Volkerenslag bij Leipzig (16 t/m 19 oktober 1813), waar Napoleon eindelijk het onderspit moet delven. Hier zouden nog eens zo’n 40.000 Franse en 55.000 geallieerde soldaten sneuvelen. Voor zover bekend is het 27e Regiment bij deze slag niet direct betrokken geweest. Kort daarop trekken de Kozakken ons land binnen en is ons land bevrijd van het Franse juk.

Napoleon trekt zich na zijn nederlaag bij Leipzig terug naar Frankrijk, maar als zijn vijanden eind maart 1814 Parijs binnentrekken geeft hij zich over. Nog datzelfde jaar wordt hij verbannen naar Elba. In februari 1815 ontsnapt hij van het eiland en weet opnieuw de macht te grijpen in Frankrijk. Na honderd dagen wordt hij in de bekende Slag bij Waterloo echter definitief verslagen door een geallieerd leger onder leiding van de Britse admiraal Wellington en verbannen naar het afgelegen St. Helena. Voor zover bekend hebben bij Waterloo geen Ruurlose jongens deelgenomen aan de strijd.

De jongens uit Ruurlo
Willem Aalbers, Jan Willen Bosman en Jan Berend Penterman maakten deel uit van de regimenten die hebben deelgenomen aan de veldtocht naar Rusland. Omdat van hen geen nader levensteken meer is gevonden (geen huwelijk, geen kinderen, geen overlijden) kan met enige stelligheid worden aangenomen dat zij zijn omgekomen. Ofwel direct in de strijd, ofwel als gevolg van ziekte en ontberingen, daarover valt geen nader antwoord te geven. Dat geldt voor alle jongens die niet zijn teruggekeerd. Veel opmerkelijker is eigenlijk dat Albert Dijkman en Garrit Bannink, die ook tot de betrokken legeronderdelen behoorden, levend zijn teruggekeerd. Bij Hendrik ten Arve staat in de lijsten van memoiredeshommes aangetekend dat hij is gedeserteerd. Ook Hendrik Jan Berenschot wordt door Toevank aangeduid als deserteur. Dat is hun geluk geweest.
Manus Pasman en Willem Pasman zijn pas bij het 124e Regiment ingedeeld na de veldtocht tegen Rusland en hebben deze dus niet meegemaakt. Waarschijnlijk zijn ze nog wel in Abbeville geweest, de garnizoensplaats van het 124e Regiment. Vanaf Arnhem was dat via Bergen op Zoom, Antwerpen en Gent een voettocht van tien dagen. In 1813 is het 124e Regiment wel betrokken geweest bij de gevechten op Duitse bodem, waar Napoleon zich de geallieerde legers van het lijf probeerde te houden. Zowel bij Willem als bij Manus staat in de registers dat ook zij in 1813 zijn gedeserteerd, dus het is niet helemaal duidelijk in hoeverre ze nog bij gevechtshandelingen betrokken zijn geweest. Voor Manus loopt het desondanks slecht af, van hem is geen levensteken meer vernomen. Willem Pasman keert wel terug in Ruurlo.
Ook Garrit Horstman, Willem Korten en Garrit Bensink zijn waarschijnlijk omgekomen, al is dat ook bij hen niet op Russische maar op Duitse bodem geweest. Ook Philip Georg Viëtor en Hermanus Stegers hebben de strijd in Franse dienst niet overleefd, al is over hun lot niet veel bekend. Daarover dadelijk meer. We komen dan op een totaal van elf tot dertien omgekomen jongens uit Ruurlo (er resteren nog twee twijfelgevallen), op een totaal van 24 die hebben gediend in het Franse leger. Elf jongens hebben in ieder geval de strijd overleefd.
Hierbij wat achtergronden van de Ruurlose jongens in Franse dienst, waarbij we beginnen met degenen die (waarschijnlijk) zijn omgekomen.

Omgekomen:
Philip Georg Viëtor is het derde kind van de in totaal tien kinderen van dominee Philippus Johannes Viëtor en diens vrouw Henrica Arnolda Nies. Vader Philippus Johannes is in 1776 beroepen als dominee in Ruurlo en trouwt op 20 april van dat jaar met Henrica Arnolda. De familie woont op de Pastorie aan de Domineesteeg. Als de dominee in 1797 overlijdt maken ze op de Pastorie plaats voor zijn opvolger dominee Woldring. Waar de familie Viëtor naar toe trekt is nog niet achterhaald. Mogelijk Lochem, waar moeder Henrica Arnolda overlijdt op 3 mei 1829.
Dominee Philippus Johannes Viëtor is een overtuigd patriot en aanhanger van het gedachtengoed van ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’. Als hij als getuige wordt verhoort door richter Arnoldus Aberson, nadat bij hem in 1795 een ruit is ingeschoten, zegt hij alle medewerking toe om de booswichten te achterhalen. Echter wel met de kanttekening dat hij zich ‘na de gelukkige omwending van zaken niet meer bevoegt agt om enige citatien van ’s Heeren wegen te respecteren, daar hij als een vrij Bataafs Burger geen Heer erkent, maar integendeel vermeent dat alle justitiele actens binnen deze provincie in naam en vanwegens het Vrije Volk van Gelderland behoren te geschieden.’
Zoon Philip Georg is geboren op 1 maart 1780 en behoort dus niet tot de generaties van jongelui die vanaf het geboortejaar 1788 worden opgeroepen voor de loting. Vandaar de veronderstelling dat hij vrijwillig dienst heeft genomen in het Hollandse leger, het revolutionaire bloed stroomt blijkbaar bij hem even sterk door de aderen als bij zijn vader. Wanneer hij dienst heeft genomen is niet bekend, ergens tussen 1800 en 1810 mag worden verondersteld. Vanaf 1810 zal hij dan bij het Franse leger zijn ingelijfd. Inderdaad komen we Philip George Viëtor tegen als onderluitenant op een lijst van officieren die deel uitmaken van het 4e Bataafse Regiment wanneer dat in september 1810 wordt opgenomen in het 125e Regiment onder leiding van kolonel Wagner. Standplaats is dan Den Helder. In de periode van koning Lodewijk Napoleon is dit 4e Regiment namelijk betrokken geweest bij diverse militaire acties onder Franse regie, met name in Duitsland tegen de Pruisen en de Zweden. Eind april 1807 worden door dit regiment bijvoorbeeld Hamburg en Lubeck bezet.
De naam van Philip Georg Viëtor ontbreekt echter op een soortgelijke lijst van officieren die in juni 1812 wordt opgemaakt aan de vooravond van de veldtocht naar Rusland. Ergens tussen september 1810 en juni 1812 is Philip George Viëtor dus afgehaakt. Het zou kunnen dat hij het leger heeft verlaten, maar gezien het feit dat van hem taal noch teken meer is gevonden is het waarschijnlijker dat hij in die periode is overleden aan ziekte of opgelopen verwondingen. In de genoemde periode zijn onderdelen van het 125e Regiment gelegerd geweest in Den Helder, Texel, Huisduinen, Medemblik, Haarlem, Den Haag, Amsterdam, Dordrecht, Goeree-Overflakkee, Leiden, Brielle, Hellevoetsluis, Zuidlaren, Groningen, Amiens en Le Havre. Er zijn dus nogal wat mogelijkheden, wanneer men wil zoeken naar een overlijdensbericht van Philip Georg Viëtor en deze is dan ook nog niet gevonden.

Willem Aalbers is geboren op 20 november 1785 als zoon van Jan Willem Aalbers en diens tweede vrouw Jenneken Meeseman, op Denneboom (F11, nu Nieuwenhuishoekweg 5). Hij heeft nog vijf broers en zussen. Zoals eerder aangegeven meldt Willem zich bij het 123e Regiment Infanterie van Linie als remplaçant (vervanger) van Gijsbert Blokhuijs uit Barneveld. Hoe en waar hij deze Gijsbert heeft leren kennen is onduidelijk. Misschien kende hij hem ook niet persoonlijk, maar is een en ander geregeld via een tussenpersoon. Als laatste woonplaats van Willem wordt Amsterdam genoemd. Een beroep wordt bij hem niet vermeld.
Willem is blijkbaar van het avontuurlijke type en de dienst in het Franse leger heeft hij mogelijk gezien als een extra bron van inkomsten. Het avontuur heeft voor hem, voor zover valt na te gaan, echter fataal uitgepakt. Hij wordt op 16 april 1811 ingeschreven bij het 123e Regiment (stamboeknr. 2753) en zal vervolgens afgemarcheerd zijn naar St. Omer in Noord-Frankrijk, voor zijn opleiding. Hij wordt eerst ingedeeld bij de 4e compagnie van het 5e bataljon, later bij de 2e compagnie van het 3e bataljon en de 2e compagnie van het 2e bataljon. Vanuit St. Omer zal hij met Napoleon naar Rusland zijn getrokken, waar het 123e Regiment betrokken raakt bij de slag bij Polotsk in Wit-Rusland op 16 en 17 augustus 1812. Zoals eerder vermeld wordt dit regiment daar zwaar gehavend. Onduidelijk blijft of Willem Aalbers deze slag heeft meegemaakt of dat hij al eerder door ziekte of ontberingen om het leven is gekomen.
Willem was 1,68 m lang en had een ovaal gezicht met een laag voorhoofd, blijkt uit zijn inschrijving. Hij had bruine ogen en kastanjebruin haar. Verder een spitse neus en dito kin en een normale mond.

Jan Hendrik te Paske (soms ook geschreven als te Paste) wordt in 1789 geboren op Kroos in Marienvelde als enige zoon van Hermanus te Paske en Jenneken Strank. Het gezin telde daarnaast nog drie dochters. Het boerderijtje, nu Waalderweg 52, werd ook wel Oude Koeheerde genoemd en later, naar de bewoners, ook te Paske. Jan Hendrik te Paske wordt ingedeeld bij het 88e Cohorte (stamboeknr. 669), dat aanvankelijk alleen bedoeld was als binnenlandse strijdmacht om de grenzen te beschermen. Na de fatale veldtocht naar Rusland worden de Cohorten in 1813 echter ook ingezet op Duitse bodem, om de Franse krijgssterkte weer aan te vullen. Het is daarom waarschijnlijk dat Jan Hendrik ergens in Duitsland is omgekomen, al dan niet bij de talrijke schermutselingen in dat jaar. Van hem is in ieder geval nadien geen teken van leven meer vernomen.

Jan Willem Bosman wordt geboren op 19 juli 1789 op de Bonenpotter (Borculoseweg 45) als vijfde van de zes levende kinderen van Jan Bosman en Hendrina Groot Garvelink. In 1794 overlijdt zijn vader. Moeder Hendrina hertrouwt nog datzelfde jaar met Garrit Wonnink, waarna het gezin naar Vorden verhuist. In 1808 keren ze in Ruurlo terug op de Meserie/Mezeman aan de Barchemseweg. Mogelijk dat Jan Willem een bijzondere affiniteit heeft gehad met paarden, hij wordt in ieder geval ingedeeld bij het 11e Regiment Huzaren (stamboeknr. 250) nadat hij voor de lichting van 1809 (geboortejaar 1789) is ingeloot. Hij is dus in ieder geval te paard naar Rusland vertrokken, maar over het verdere wel en wee van dit regiment is heel weinig bekend. Ook van Jan Willem is echter niets meer vernomen, zodat aangenomen mag worden dat hij de veldtocht niet heeft overleefd.

Jan Berend Penterman is geboren op 6 januari 1790 op Kunnen (nu Kunnerij 7) in Marienvelde als derde van de zeven kinderen van Hendrik Penterman en Anna te Kevelder (ook wel Hulshof genoemd). Zijn vader overlijdt in 1804, waarna zijn moeder een jaar later hertrouwt met Hendrik Krabben. Bij de loting voor de Classe van 1810 op 18 februari 1812 trekt Jan Berend nr. 1. Aangezien er blijkbaar geen lichamelijke kwalen zijn en geen andere beletselen krijgt hij de opdracht om zich vijf dagen later, op 23 februari 1812, te melden bij de kazerne in Arnhem. Samen met nog drie andere jongens uit Ruurlo. Jan Berend wordt op 12 maart 1812 ingeschreven bij het 123e Regiment van Linie en wordt ingedeeld bij de grenadiers van het 3e bataljon (stamboeknr. 3626). Op tijd dus om deel te kunnen nemen aan de veldtocht naar Rusland. Het 123e Regiment van Linie is bij de slag bij Polotsk in Wit-Rusland op 16 en 17 augustus 1812 zwaar gehavend. Of Jan Berend Penterman deze slag heeft meegemaakt of al eerder bezweken is blijft onduidelijk.
Uit de inschrijving blijkt dat Jan Berend 1,73 m lang is en een ovaal gezicht heeft met een laag voorhoofd en een lange kin. Hij heeft donkere ogen (noir, dus zwart, wordt zelfs genoteerd) bij kastanjebruin haar. Verder een kleine neus, een grote mond en een lange kin. Als zijn beroep wordt vermeld: journalier, wat het best kan worden vertaald als daghuurder.

Harmanus (of Manus) Pasman is geboren op 15 april 1791 op Peggenhof aan de Bemersteeg als zoon van Gerrit Pasman en Gerardina Bouwmeester. Hij heeft nog een oudere en een jongere zuster. In 1800 verhuist het gezin naar de Zomp aan de Borculoseweg. Bij de loting op 16 oktober 1812 trekt Harmanus nr. 26, maar omdat er onder de lagere nummers zoveel afvallers zijn vanwege lichamelijke mankementen of andere afwegingen behoort hij toch tot de twaalf rekruten die het canton Vorden moet leveren van het geboortejaar 1791. Harmanus wordt op 11 december 1812 ingeschreven bij het 124e Regiment van Linie en wel als fuselier bij de 1e compagnie van het 5e bataljon (stamboeknr. 4697). Per 2 april 1813 wordt hij nog opnieuw ingedeeld bij de grenadiers van het 2e bataljon van het 124e regiment.
Op het moment van zijn inschrijving is het leger van Napoleon al bezig met zijn terugtocht uit Rusland (het 124e regiment is al op 16 en 17 augustus 1812 in de slag bij Polotsk in Wit-Rusland goeddeels weggevaagd), dus daar is Harmanus niet bij betrokken geweest. Mogelijk wel bij veldslagen op Duitse bodem in de loop van 1813. Uit een speciale notitie blijkt dat Manus ergens in de loop van dat jaar is gedeserteerd, een exacte datum wordt niet vermeld. Voor Manus is het desondanks niet goed afgelopen. Van hem is verder geen spoor teruggevonden, waaruit we afleiden dat hij alsnog is omgekomen op zijn vlucht en op zijn zwerftocht terug naar Ruurlo.
Uit de inschrijving blijkt dat Manus 1,74 m lang is en een vol gezicht heeft met een laag voorhoofd. Hij heeft bruine ogen en kastanjebruin haar. Als opmerking wordt nog genoemd: petite verole. Blijkbaar lijdt Manus aan de pokken en hij is lang niet de enige. Het is blijkbaar geen beletsel om hem als soldaat in te delen. Als zijn beroep wordt vermeld: journalier, daghuurder.

Een bijzonder geval is Hermanus Stegers. Hij wordt op 24 november 1792 geboren op Bekkenboer (Kunnerij 6) in Marienvelde als derde van de vijf kinderen van Toone Stegers en Janna ter Heurne. Hermanus wordt per 25 april 1813 ingeschreven als ‘gendarme bis’ bij de 2e compagnie van het 2e esquadron (stamboeknr. 518). De gendarmes bestonden uit politiemannen te paard, een soort marechaussee dus. Het woord gendarme werd in die tijd in Frankrijk ook gebruikt als vervanger van het oudere woord ‘maréchaussée’. Hoe de functie van gendarme precies werd ingevuld in die onrustige tijd is niet duidelijk. Waarschijnlijk is Hermanus niet betrokken geweest bij reguliere gevechten, meer bij de ordebewaking. Dat zou dan aanvankelijk in Duitse plaatsen geweest kunnen zijn, maar na de nederlaag van Napoleon bij Leipzig (16 t/m 19 oktober 1813) zullen ook de gendarmes zich teruggetrokken hebben naar Frankrijk. Waarschijnlijk is Hermanus ergens op Franse bodem overleden.
Uit zijn inschrijving blijkt dat Hermanus 1,74 m lang is en een ovaal gezicht heeft met een laag voorhoofd. Hij heeft kastanjebruin haar en grijze ogen. Verder een arendsneus, een normale mond en een stompe kin. Als beroep wordt genoemd journalier, daghuurder.

Jan Hilferink is op 24 maart 1792 geboren in Hengelo (Gld) als zesde kind van Garrit Jan Hilferink en Berentjen Mennink. Hij heeft nog vier broers en twee zusters. Ten tijde van de loting op 25 februari 1813 woont hij in Ruurlo. Jan wordt ingedeeld bij het 33e Regiment Lichte Infanterie. Dat moet ergens in het voorjaar van 1813 zijn geweest, dus aan de veldtocht naar Rusland heeft Jan in ieder geval niet deelgenomen. Het is goed mogelijk dat hij in dat jaar 1813 betrokken is geweest bij de veldslagen in Duitsland, maar zekerheid daarover is er niet. Van Jan is nadien echter geen spoor meer gevonden, zodat het er vooralsnog naar uitziet dat er geen sprake is van een positieve afloop.

Vier jongens uit Ruurlo worden nog opgeroepen voor de lichting van 1813 (geboortejaar 1793): Garrit Horstman, Willem Korten, Garrit Bensink en Teunis Sieverink. Normaal gesproken zou de loting voor deze lichting plaatsgevonden moeten hebben in het voorjaar van 1814, maar na de catastrofe in Rusland is deze naar voren gehaald. Nog in datzelfde jaar 1813 heeft het 27e Regiment Infanterie van Linie deelgenomen aan de Slag bij Lutzen in Saksen-Anhalt op 2 mei 1813, waar Napoleon nog weer een overwinning boekte op geallieerde Russisch-Pruisische strijdkrachten. Op 26 en 27 augustus was het betrokken bij de Slag bij Dresden (ook hier trokken de Franse legers aan het langste eind) en de kort daarop volgende Slag bij Kulm op 30 augustus. Deze schermutselingen vormen de aanloop naar de Volkerenslag bij Leipzig (16 t/m 19 oktober 1813), waar Napoleon wordt verslagen. Hierbij is het 27e Regiment echter niet betrokken geweest. Omdat de loting pas op 10 oktober 1813 maakten de vier Ruurlose jongens op dat moment ook nog geen deel uit van dit regiment. Op 13 november 1813 volgt een reorganisatie van het 27e Regiment en worden ze alle vier bij verschillende andere regimenten ingedeeld. Van de genoemde jongens ontbreekt van Garrit Horstman, Willem Korten en Garrit Bensink ieder verder spoor, zodat aangenomen wordt dat ze zijn omgekomen.

Garrit Horstman is geboren op 30 augustus 1793 op Klein Leusink/de Pannekooke (bij Leusink, afgebroken in 1911) als zoon van de timmerman Berent Horstman en diens vrouw Getruij Nieuwlant. Hij is de oudste van drie zonen (een vierde zoon is jong overleden). Garrit wordt samen met drie andere jongemannen uit Ruurlo na loting per 10 oktober 1813 ingedeeld bij het 27e Regiment Infanterie van Linie en wel bij de 3e compagnie van het 2e bataljon (stamboeknr. 10109). Na een reorganisatie maakt hij per 13 november 1813 deel uit van het 138e Regiment Infanterie van Linie. Garrit is dus niet betrokken geweest bij de Slag bij Leipzig (16 t/m 19 oktober 1813), maar mogelijk is hij omgekomen bij latere schermutselingen op Duitse of Franse bodem of door ziekte en ontberingen.
Garrit is 1,68 m lang en heeft een ovaal gezicht met een plat voorhoofd. Hij heeft blond haar, een kleine neus, een normale mond en een korte kin. Als beroep wordt genoemd journalier, daghuurder.

Willem Korten is geboren op 23 januari 1793 als zoon van Engbert (ook wel Egbert) Korten en Aaltjen Aseler. Zijn vader is geboren op Saleman/Salomon/Muiterstede aan de Höfteweg en wordt om die reden ook wel aangeduid als Engbert Salomon. Op welk adres Willem is geboren is niet bekend, wel dat het gezin tussen 1794 en 1803 heeft gewoond op de Bonenpotter aan de Borculoseweg, nadat de hiervoor genoemde familie Bosman daar was vertrokken. In 1803 vertrekken ze van de Bonenpotter naar Gotink/Schuttenstede op de Bruil en rond 1811 naar de Kaal aan de Groenloseweg (afgebroken in 1848).
Willem wordt per 10 oktober 1813 ingeschreven bij het 27e Regiment Infanterie van Linie en wel bij de 4e compagnie van het 2e bataljon (stamboeknr. 10027). Na een reorganisatie wordt hij per 13 november 1813 ingedeeld bij het 26e Regiment Infanterie van Linie. Willem is dus niet betrokken geweest bij de Slag bij Leipzig (16 t/m 19 oktober 1813). Ook van hem zijn echter geen latere gegevens meer gevonden, zodat wordt aangenomen dat hij is omgekomen. Ofwel in latere schermutselingen op Duitse of Franse bodem, ofwel door ziekte of andere ontberingen.
Willem is 1,67 m lang en heeft een lang gezicht met een laag voorhoofd. Opvallend is dat hij blauwe ogen heeft bij bruin haar. Verder heeft hij een kleine neus, een normale mond en een korte kin. Als beroep wordt genoemd laboureur. Letterlijk betekent dat ploeger, waarschijnlijk is boerenknecht een betere vertaling.

Garrit Bensink is geboren op 4 augustus 1793 op Grote Heurne/Bensink aan de Tolhutterweg als jongste zoon van de acht kinderen van Garrit Bensink en Engele ten Arve. Bij zijn geboorte is zijn vader al overleden. Zijn moeder hertrouwt in 1798 met A.J. Vruggink, waarna het gezin verhuist naar Klein Hillebrant (Hillebrandweg 1).
Garrit wordt per 10 oktober 1813 ingedeeld bij het 27e Regiment en wel bij de 2e compagnie van het 2e bataljon (stamboeknr. 10025). Na de reorganisatie wordt hij per 13 november 1813 ingedeeld bij het 43e Regiment Infanterie van Linie. In de lijsten van dit regiment komt hij merkwaardig genoeg voor onder een ander stamboeknr. (1402) en met als geboorteplaats Reculo. De Slag bij Leipzig (16 t/m 19 oktober 1813) is ook Garrit dus bespaard gebleven, maar omdat van hem geen latere levenstekens zijn gevonden wordt aangenomen dat hij is omgekomen. Van het 43e Regiment is bekend dat het na de Slag bij Leipzig bijvoorbeeld nog betrokken is geweest bij schermutselingen rond Hanau.
Garrit is 1,75 m lang en heeft een ovaal gezicht met een plat voorhoofd. Hij heeft blond haar en blauwe ogen. Verder een kleine neus, een grote mond en een lange kin. Als beroep wordt genoemd journalier, daghuurder.

De overlevenden:
Harmen Dengerink is geboren op 2 februari 1789 in Vorden als zoon van Aalbert Dengerink en Berendjen Egberts. Zijn moeder overlijdt in 1794. Na 1800 vinden we hem terug op Muldershuis/Muldersstede aan de Huikert, waar hij inwoont bij de weduwe Jenneken Broekgaarden-Timmerie en haar dochter Engele en schoonzoon Hendrik Meddeler. Ook Garritdina Dengerink woont daar bij in, waarschijnlijk is dat zijn zusje, haar geboorte is echter nog niet gevonden. Bij Muldersstede werd vroeger een molen geëxploiteerd, misschien is Harmen daar in dienst als molenaarsknecht. Tenslotte stamt hij af van de molenaarsfamilie Dengerink in Zwiep.
Harmen wordt opgenomen in de 88e Cohorte (stamboeknr. 923), net als zijn jaargenoten Jan Hendrik te Paske en Hendrik Christiaan Raad. In tegenstelling tot Jan Hendrik te Paske loopt het met Harmen Dengerink goed af. Hij trouwt op 8 januari 1820 als dagloner in Olst met Janna Snel (ook wel Van der Snel). In 1824 en 1831 overlijden twee kinderen kort na hun geboorte, een derde dochter Maria Johanna (geboren in 1826) trouwt in 1853. Op 30 augustus 1832 hertrouwt Harmen in Olst met Fredrica van der Noot. Zij overlijdt op 2 november 1833, waarna Harmen een op 12 februari 1834 nog een derde keer trouwt (eveneens in Olst) met Aaltjen Grootenhuis. Zijn overlijden is niet gevonden.

Hendrik Christiaan Raad is geboren op 25 april 1789 op den Olden Guliker aan de Wiersseweg, als zoon van Kristjaen Raed en Jenneken Stokkink. Zijn vader komt uit Lochem en is op den Olden Guliker ingetrouwd. Na het overlijden van vader Kristjaen hertrouwt moeder Jenneken in 1792 met Jan Willem Breuker en vertrekt dan met haar twee kinderen (er is ook nog een dochter Garritjen). Waar naartoe is niet duidelijk, als haar tweede man ook overlijdt (er zijn inmiddels nog twee zoontjes geboren) woont ze eerst nog even in bij haar broer Albert op het nabijgelegen Drie Huizen en keert dan terug naar den Olden Guliker. Daar woont de familie in ieder geval ten tijde van de loting van de Classe van 1809. Hendrik Christiaan wordt ingeloot en ingedeeld bij het 88e Cohorte (waarbij zijn naam wordt genoteerd als Roth en zijn geboorteplaats als Roelen, zijn stamboeknr. is 690). Net als zijn jaar- en plaatsgenoten Jan Hendrik te Paske en Harmen Dengerink. Hij zal in die hoedanigheid in 1813 nog wel zijn ingezet bij de strijd in Duitsland, maar hij behoort tot de overlevenden. Hendrik Christiaan trouwt in 1815 met Leida (Aleijda) Eijkelkamp en van het echtpaar zijn vijf kinderen bekend. Het gezin woont dan op de ene helft van de Ramaker, een dubbelwoning aan de Wiersseweg. In 1833 vertrekken ze met (vooralsnog) onbekende bestemming. Hendrik Christiaan leeft in ieder geval nog in 1847, wanneer twee van zijn kinderen trouwen.

Albert Dijkman is op 6 september 1789 geboren op Klein Everwennink/de Koopman aan de Koopmanstraat (nu afgebroken) als derde en jongste kind van Hendrik Dijkman en Jenneken Bluemink. In 1794 verhuist het gezin naar de Klaos aan de Tolhutterweg. Albert wordt ingeloot voor de lichting van 1809 en wordt ingedeeld bij het 123e Regiment Infanterie van Linie (stamboeknr. 3233). Hij wordt ingeschreven per 30 oktober 1811 bij de 2e compagnie van het 5e bataljon, later bij de grenadiers van het 3e bataljon en de grenadiers van het 1e bataljon. Ook het 123e Regiment was betrokken bij de slag bij Polotsk in Wit-Rusland op 16 en 17 augustus 1812. Hoewel de verliezen van dit regiment niet precies bekend zijn zal het mogelijk net als het 124e Regiment zware verliezen hebben geleden, waarna de overlevenden over andere regimenten werden verdeeld. Normaliter heeft Albert de tocht naar Rusland ook daadwerkelijk meegemaakt. Opmerkelijk is dat hij tot de schaarse gelukkigen behoort die het rampzalige Russische avontuur hebben overleefd. Mogelijk dat hij door ziekte of ander ongemak al in een vroeg stadium af heeft moeten haken, want eenmaal in Rusland was er niet veel kans om behouden terug te keren. In 1815 trouwt hij met Hendrika Haverkamp, waarna het echtpaar zijn intrek neemt op de pas gebouwde Stoffershutte (ook wel Weenk of de Vos genoemd), aan de Manpadweg net op de grens met Zelhem. Daar worden vier zonen en drie dochters geboren. Albert overlijdt op 29-3-1867 in Ruurlo.
Uit zijn inschrijving blijkt dat Albert 1,84 m lang is en een lang gezicht heeft met een klein voorhoofd. Hij heeft blauwe ogen en blond haar, met een kleine neus en mond en een spitse kin. Als zijn beroep wordt genoemd ouvrier, arbeider.

Garrit Bannink is geboren op 8 maart 1790 op het Haller aan de Hallerweg als oudste van de vier kinderen van Garrit Bannink en Dijna Bouwmans. Bij de loting op 18 februari 1812 voor de lichting van 1810 (geboortejaar 1790) trekt hij nr. 5. Omdat hij blijkbaar in goede conditie is moet hij zich op 23 februari 1812 melden in Arnhem. Samen met zijn dorpsgenoten Jan Berend Penterman, Garrit Jan Tragter en Harmen Dengerink. Als enige van dit kwartet wordt Garrit per 5 maart 1812 ingedeeld bij het 126e Regiment van Linie (stamboeknr. 3753), en wel bij de 1e compagnie van het 4e bataljon. Dit regiment is gelegerd in Luik. Bij zijn inschrijving wordt als geboorteplaats Ophalle genoteerd in het canton Roderlo. Het gaat hier om een grappig misverstand. Blijkbaar heeft Garrit op de vraag waar hij geboren is naar eer en geweten geantwoord ‘op ’t Halle’ en zo is het zonder verdere vragen genoteerd.
Het 126e Regiment speelt een belangrijke rol bij de verdediging van de pontonbruggen tijdens de oversteek van de Berezina op de terugtocht uit Rusland en wordt daarbij samen met het 125e Regiment vrijwel volledig vernietigd. Beide regimenten geven zich op 28 november 1812 over aan de Russen en tellen dan nog amper 300 man. Gezien de catastrofale ondergang van zijn regiment heeft Garrit dit vermoedelijk niet meegemaakt, waarschijnlijk is hij al op een eerder tijdstip afgehaakt. Een mogelijkheid is dat hij vanwege ziekte in een hospitaal is beland en na voldoende hersteld te zijn huiswaarts getrokken om uit handen te blijven van de oprukkende Russen. Hij slaagt er in ieder geval in om behouden terug te keren in Ruurlo. Hij trouwt op 26 oktober 1922 in Borculo met Engele Steelkamp en uit het huwelijk wordt een dochter Aaltje geboren. Zijn vrouw overlijdt in 1849 in Lochem, dus waarschijnlijk zijn ze op zeker moment daar naartoe verhuist. Van Garrit zelf is nog geen overlijden gevonden.
Uit zijn inschrijving blijkt dat Garrit 1,70 m lang is en een ovaal gezicht heeft met een hoog voorhoofd. Verder heeft hij grijze ogen, een normale mond en een lange kin. Bij de opmerkingen staat: une licatrice au cote du nez. Blijkbaar heeft Garrit een litteken aan de zijkant van zijn neus. Als zijn beroep wordt genoemd laboureur, ofwel boerenknecht.

Garrit Jan Tragter is geboren op 31 mei 1790 op de Pas/Tuiteman (aan het eind van de Borculoseweg bij de begraafplaats, rond 1820 gesloopt), als zoon van Berent Tragter en Maria Heurnemans. Hij heeft nog een drie jaar oudere zuster Hendrika. Garrit Jan trekt bij de loting op 18 februari 1812 weliswaar nr. 24, maar blijkbaar zijn er onder de lagere nummers zoveel ongeschikte rekruten dat hij toch wordt geselecteerd om het contingent van twaalf man te completteren dat het canton Vorden moet leveren. Op 23 februari 1812 moet hij zich melden in Arnhem en wordt ingedeeld bij het 88e Cohorte (stamboeknr. 670). Hij heeft dus niet deel hoeven nemen aan de veldtocht naar Rusland, maar waarschijnlijk wel aan het strijdgewoel in Duitsland in de loop van 1813. Details daarover zijn moeilijk te achterhalen. In ieder geval weet hij zijn diensttijd ongeschonden te overleven. Hij trouwt op 1 juli 1814 met Maria Ligtenbarg en het echtpaar wordt gezegend met drie dochters en drie zonen (een dochtertje overlijdt na 14 weken). Garrit Jan verdient de kost als wever. Rond 1820 wordt de Pas/Tuiteman afgebroken, waarna het gezin Tragter verhuist naar het nabij gelegen Koskamp. In 1835 vertrekken ze naar Schuttenboer aan de Zelhemseweg.

Garrit Jan ter Haar is geboren op 16 oktober 1791 op Bleumink aan de Nieuwehuishoekweg als vierde van in totaal acht kinderen van Willem ter Haar en Maria Lindenschot (een zoontje, ook Garrit Jan geheten, is eerder jong overleden). Ten tijde van de loting op 16 oktober 1812 is hij knecht bij Berent Rijkenbargh op Cornegoor in de Boshuurne. Garrit Jan trekt nr. 31 en bij een totaal van twaalf rekruten die het canton Vorden moet leveren lijkt dat een veilig nummer. Blijkbaar zijn er echter zoveel afvallers dat hij alsnog op moet draven. Ook hij wordt ingedeeld bij het 88e Cohorte (stamboeknr. 1080) en heeft dus niet deel hoeven nemen aan de veldtocht naar Rusland. Het 88e Cohorte is in 1813 wel naar Duitsland gezonden en is daar mogelijk wel betrokken geweest bij gevechten. Garrit Jan komt in ieder geval ongedeerd (dat wil zeggen levend) terug in Ruurlo. Hij trouwt op 23 maart 1825 in Eibergen met Aaltjen Bekker, waarna er in Borculo (buurtschap Overbiel) vijf kinderen worden geboren (waarvan twee dood geboren). Garrit Jan overlijdt op 20 januari 1858 in Haarlo, 66 jaar oud.

Willem Pasman wordt op 16 september 1791 geboren op ’t Sikkeler aan de Zelhemseweg als zoon van Jan Willem Pasman en diens tweede vrouw Berentjen Stapelkamp. Uit het eerste huwelijk telt het gezin twee dochters, uit het tweede huwelijk worden zeven kinderen geboren. Als vader Jan Willem overlijdt hertrouwt moeder Berentjen met de dagloner Berend Straalman, waarna ze met haar kinderen verhuist naar Brokershutte, een schamele behuizing in de buurt van Hekman aan de Brillensteeg (afgebroken in 1854). Blijkbaar is het gezin er niet op vooruit geboerd. Ten tijde van de loting op 16 oktober 1812 is Willem knecht bij scholte Te Veldhuijs onder Borculo.
Willem wordt op 11 december daarop volgend ingedeeld bij het 124e Regiment van Linie (stamboeknr.4756), maar dit regiment is dan al in Rusland en is op 16 en 17 augustus 1812 betrokken geweest bij de slag bij Polotsk in Wit-Rusland. Dat lot is Willem dus bespaard gebleven. Mogelijk is hij het jaar daarop wel ingezet bij de schermutselingen in Duitsland. Omdat hij volgens een aantekening in de loop van 1813 is gedeserteerd (zonder nadere aanduiding) is niet duidelijk wat Willem daarvan nog heeft meegemaakt. Hij keert in ieder geval terug in Ruurlo en trouwt op 5 juni 1820 in Borculo met Willemina Scholten. Daar worden vijf dochters geboren en een zoontje, dat helaas jong overlijdt. Bij de geboorte van het laatste dochtertje in 1836 wordt als beroep opgegeven strodekker. Willem overlijdt op 10 juni 1851 in de buurtschap Lemperhoek in Borculo, 60 jaar oud. Hij is dan nog steeds strodekker.
Uit zijn inschrijving blijkt dat Willem 1,72 m lang is, een laag voorhoofd heeft, een normale neus, een kleine mond en een korte kin. Verder heeft hij grijze ogen en kastanjebruin haar.

Hendrik ten Arve wordt geboren op 26 december 1792 op Klein Langenbarg aan de Höfteweg als vierde van de elf kinderen van Hendrik ten Arve en diens tweede vrouw Harmina Schutters. Uit een eerder huwelijk heeft zijn vader ook nog vier kinderen. Het valt blijkbaar niet mee om zoveel monden te voeden, want in 1806 vertrekt het gezin naar de Oude Kieftenhutte aan de Buskersdijk, dat eigendom is van de Diaconie. Als de loting voor de lichting van 1811 plaatsvindt (geboortejaar 1791) op 16 oktober 1812 is Hendrik knecht bij Lammert Mombargh in de buurtschap Linde onder Vorden.
Hendrik wordt net als Manus en Willem Pasman per 11 december 1812 ingedeeld bij het 124e Regiment van Linie (stamboeknr. 4688), en wel als fuselier bij de 1e compagnie van het 5e bataljon, later als fuselier bij de 1e compagnie van het 2e bataljon.
Op het moment van zijn inschrijving is het Franse leger al op de terugtocht uit Rusland, het 124e regiment is bij de slag bij Polotsk in Wit-Rusland op 16 en 17 augustus 1812 grotendeels van de kaart geveegd. Dat is Hendrik dus bespaard gebleven. Mogelijk is hij het jaar daarop wel ingezet bij de schermutselingen in Duitsland. Dat zal tenminste de bedoeling zijn geweest, maar aan Hendrik is het soldatenleven blijkbaar niet besteedt. Achter zijn naam staat in de lijsten van memoiredeshommes vermeld dat hij in 1813 is gedeserteerd (net als Manus en Willem Pasman). Hij keert behouden terug in Ruurlo en trouwt op 6 februari 1829 in Borculo met Henders Wilmerink. Hij wordt veldwachter in Geesteren en daar worden een zoon en een dochter geboren. Wanneer hij op 25 april 1860 overlijdt in Geesteren, 68 jaar oud, is hij nog steeds veldwachter.
Hendrik is 1,69 m lang en heeft een vol gezicht met smal voorhoofd. Hij heeft een spitse neus en kin en een kleine mond. Verder heeft hij blauwe ogen en het bijbehorende blonde haar. Als zijn beroep wordt journalier, daghuurder vermeld.

Hendrik Jan Berenschot is op 16 november 1792 geboren op de Bourtange, een dubbelwoning die stond op de plaats waar nu het plantsoen is (afgebroken in 1844). Hij is de jongste van de zes kinderen van Reint Berenschot (jagermeester in dienst van het Huis te Ruurlo) en diens vrouw Jantje Hagens. Hoewel Hendrik Jan bij de loting nr. 23 trekt moet hij toch als rekruut op komen draven. Hij wordt ingedeeld bij het 33e Regiment Lichte Infanterie (stamboeknr. 5713), maar dat is na de rampzalige veldtocht naar Rusland. Mogelijk dat hij in de loop van 1813 wel betrokken is geweest bij de schermutselingen in Duitsland. Ook aan Hendrik Jan is het soldatenleven echter niet besteed. Frits Toevank vermeldt op zijn CD-ROM: ‘Hendrik J Deserteur bij Franse Leger’, daarbij verwijzend naar G.A.28/10 1805. Die informatie is echter niet terug te vinden. Hendrik Jan trouwt in ieder geval op 28 oktober 1829 in het Friese Schoterland met Gepke Roels Bakker. Hendrik Jan is dan timmerman, als beroep van zijn vrouw wordt winkelierster genoemd. In 1832 wordt hun dochter Jantje geboren, daarna is er van Hendrik Jan evenwel geen teken van leven meer gevonden.

Harmen Hiddink is geboren op 29-10-1792 op Huttenhof (afgebroken in de vorige eeuw in verband met het nieuwbouwplan Everwennink) als zoon van Jan Hiddink en Harmina Eijkelkamp. Hij heeft nog een ouder zusje Berendina. Zijn vader overlijdt al in 1794, zijn moeder blijft verder ongetrouwd. Waarschijnlijk is Harmen dezelfde die in de lijsten van memoiresdeshommes voorkomt onder de naam van Harmen Heddink, met als geboorteplaats Nunelo (de geboortedatum is in ieder geval identiek). Harmen was ingedeeld bij het 33e Regiment Lichte Infanterie (stamboeknr. 5718). Hij overleeft de strijd in ieder geval, want op 18-5-1819 trouwt hij met Willemina Vruink (later geschreven als Vruggink). Het echtpaar gaat wonen op een deel van den Olden Spieker, een dubbelwoning aan de Kapersweg. In 1829 verhuizen ze met hun vijf kinderen (drie jongens, twee meisjes) naar de Manpad, een nieuwe boerderij aan de Manpadweg (nr. 4). Harmen overlijdt op 25-2-1879, 86 jaar oud.

Teunis Sieverink is geboren op 2 september 1793 op Kamperman/Marsman aan de Kranenbargsteeg (afgebroken bij de aanleg van de spoorbaan), als derde van de zeven kinderen van Jan Sieverink en Hendrica Meulenkamp. In 1796 vertrekt het gezin naar Luggenhorst aan de Stationstraat (afgebroken in 1905). Teunis is een van de vier Ruurlose jongemannen van de lichting 1813 die wordt ingeloot en per 10 oktober 1813 wordt ingedeeld bij het 27e regiment Infanterie van Linie (stamboeknr. 10107). Specifiek is dat de 3e compagnie van het 2e bataljon. Na de reorganisatie maakt hij per 13 november 1813 deel uit van het 138e Regiment Infanterie van Linie (net als Garrit Horstman). Teunis lijkt de enige Ruurlose jongeman van zijn lichting die het strijdgewoel heeft overleefd. Hij trouwt op 30 mei 1818 in Borculo met Stiene Stikkers. Daar wordt hun oudste zoon geboren. Het echtpaar verhuist later weer naar Ruurlo, waar een dood geboren kind en een dochter worden geboren. Teunis overlijdt op 6 september 1854 in Ruurlo, 61 jaar oud.
Teunis is 1,70 m lang en heeft een lang gezicht met een hoog voorhoofd. Hij heeft blauwe ogen bij bruin haar, een kleine neus en mond en een korte kin. Als beroep wordt genoemd journalier, daghuurder.

Twijfelgevallen:
Hendrikus Nijhuis is volgens memoiredeshommes geboren op 11-6-1792 in Hengelo (Gld), al is zijn geboorte daar niet te vinden. Hij wordt na de loting op 25 februari 1813 ingedeeld bij het 33e Regiment Lichte Infanterie (stamboeknr. 5716), dat lijkt wel vast te staan. Later wordt hij ingedeeld bij het 88e Cohorte. Aan de veldtocht naar Rusland heeft Hendrikus in ieder geval niet deelgenomen, maar mogelijk is hij wel betrokken geweest bij de veldslagen in Duitsland in de loop van 1813. Omdat zijn geboorte niet gevonden is valt er ook weinig te achterhalen over zijn eventuele latere levensloop. Nijhuis is een te algemene naam om daar de juiste persoon uit te filteren. Een huwelijk of overlijden dat in aanmerking komt is in elk geval nog niet gevonden, dus vooralsnog vrezen we dat Hendrikus is omgekomen.

Hendrik Jan Ligtenbarg is geboren op 9-3-1792 als derde van de in totaal acht kinderen (hij is de eerste zoon) van Berent Ligtenbarg (afkomstig uit Vorden) en Willemina Willemsen op Weustemaat (Kooiersdijk 4). Het echtpaar is in 1785 getrouwd en bouwt datzelfde jaar een nieuwe boerderij op Weustemaat. In de lotingslijst voor de lichting van 1812 loot Hendrik Jan nr. 5, met daarachter de mededeling ‘in actieven dienst gesteld’. Zijn naam is tot op heden echter niet gevonden in de lijsten van memoiredeshommes, mogelijk omdat de spelling van zijn naam en die van zijn geboorteplaats Ruurlo op een niet herkenbare wijze is verhaspeld. Daarom is ook niet bekend bij welk legeronderdeel Hendrik Jan terecht is gekomen en dus valt er weinig te zeggen over zijn lotgevallen. Van hem is echter taal noch teken meer vernomen, dus het valt te vrezen dat hij zijn diensttijd met de dood heeft moeten bekopen.

Samenvattend kunnen we concluderen dat er in totaal 24 jongens geboren of woonachtig in Ruurlo in Franse dienst geweest. Daarvan zijn er in ieder geval 11 om het leven gekomen, mogelijk zelfs 13. Een trieste balans al met al, die behoorlijk ingegrepen moet hebben in de kleine en gesloten gemeenschap die Ruurlo in die dagen was.

Tot slot: in ‘Bonenstaken tegen Bajonetten’ is ook aandacht besteedt aan Arend Lievestro, die op 1 juli 1814 overlijdt in het hospitaal te Nijmegen aan koorts. Hij maakte op dat moment deel uit van de 6e Compagnie van het 16e bataljon van de Landmilitie. Dit onderdeel is begin 1814 opgericht als Bataljon Landmilitie nr. 16 en in maart 1815 omgedoopt in Bataljon Nationale Militie nr. 6. De militairen waren voornamelijk afkomstig uit het district Zutphen. (http://www.gahetna.nl/collectie/archief/ead/index/).
Waarschijnlijk heeft hij zich vrijwillig aangemeld bij het Nederlandse leger nadat Napoleon eind 2013 definitief uit ons land was verdreven. We treffen hem in ieder geval niet aan als dienstplichtige in het Franse leger, dus hij behoorde niet tot de lotelingen die hebben gevochten in het Franse leger. Hij heeft als inwoner van Ruurlo nog wel mee geloot met de Classe van 1811, maar met nr. 62 bleef hij toen ver buiten de gevarenzone.


Bronnen:

http://www.memoiredeshommes.sga.defense.gouv.fr/fr/article.php?laref=1

http://www.archieven.nl/mi/2231/?mizig=364&miadt=2231&milang=nl&misort=last_mod|desc&miview=tbl

http://www.friezen-onder- napoleon.nl/Pages/pagina_houding_legeronderdelen.htm

http://tacotichelaar.nl/wordpress/napoleon-in-holland/hans-tigchelaar-en-33e-regiment-van-de-grande-armee/

http://www.napoleon-series.org/military/organization/c_frenchinf3.html#27th

http://www.gahetna.nl/collectie/archief/ead/index/

Peter van Rooden, In de achterhoede van Napoleon (Vlijmen, 2016)

Joseph Abbeel (red. Joost Welten, Johan de Wilde), Met Napoleon naar Moskou (Davidsfonds Uitgeverij, Leuven, 2011)

L. Roulin, 125e Régiment d’Infanterie. Historiquedes Corps Infanterie Avant Porté le No 125 (Orleans, 1890)

Zwany van der Jagt, Vorden onder Napoleon 1811- 1813 (Apeldoorn, 2012)

Wim Meerman, Neede voor 200 jaar (Neede, 2013)

CD-ROM Frits Toevank


Peter ten Arve / Jan Oonk
December 2017


Historische Vereniging "Old Reurle"
KvK Arnhem nummer 40103401
E-mail: info@oldreurle.nl
Sinds januari 2013 culturele ANBI instelling
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu