Werk-Concentratiekamp - Old Reurle

Historische Vereniging
"OLD REURLE"
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Werk-Concentratiekamp

Joodse werkkampen




De Zomp, werkkamp en concentratiekamp


In de dertiger jaren van de vorige eeuw, wanneer na de beurskrach van 1929 de wereldwijde economische crisis ook in Nederland diepe sporen trekt, doet een nieuw fenomeen zijn intrede in ons land: de werkkampen. Om de steeds dramatischer gevolgen van de al maar stijgende werkloosheid (WW-uitkeringen kende men toen nog niet) tegen te gaan werden werkloos geworden burgers verplicht tot het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van de overheid. Zo kon het arbeidspotentieel toch op een nuttige wijze worden ingezet, terwijl de anders werkloze burgers waren gegarandeerd van een minimum inkomen om in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Vooral de infrastructuur vormde voor de regering een dankbare bron van werkgelegenheid. Met name in Noord- en Oost-Nederland viel er op dat punt nog veel te verbeteren en daar schoten de werkkampen dan ook als paddestoelen uit de grond. Veel waterwegen zijn in die tijd aangelegd of verbeterd, grotendeels met schop en kruiwagen.
In Ruurlo ontstonden in die tijd twee van dergelijke werkkampen, de Zomp en de Pierik. De Zomp lag aan de Koergerweg, het voorste deel (de kantine) lag op de plaats waar nu de woning van de familie Kalff staat, de barakken lagen daarachter richting Kaapdijk. De Pierik lag iets verderop richting Borculo, tussen de boerderijen Venneman en de Pierik.
Volgens Wim Bluemers, die de historie van beide werkkampen heeft uitgezocht en daarover heeft gepubliceerd in De Kroezeboom nr. 4 van 1999, bestond de Zomp uit twee barakken (een slaapbarak en een ontspanningsbarak) en verder uit de woning van de kok met daaraan vast de keuken, een kantine, een washok en een fietsenhok. Zie wat dat betreft ook de foto’s en ansichtkaarten. De Pierik lijkt op het bewaard gebleven fotomateriaal iets kleiner, maar de opzet zal in grote lijnen identiek geweest zijn. Willem Roerink (van de Eenkhoorn) was kantinebeheerder op de Zomp, Bertus Klein Brinke vervulde die functie op de Pierik.
Het is niet helemaal bekend hoeveel arbeiders in beide kampen een onderkomen hebben gehad, maar een schatting van rond de honderd lijkt een aardige benadering. Duidelijk is in ieder geval wel dat de arbeiders in opdracht te werk waren gesteld bij de Heidemij en werkten aan de verbetering van de waterafvoer van de Slinge.

Vissers op De Pierik

Bluemers meldt op gezag van zijn zegslieden dat de Pierik net voor of in het begin van de Tweede Wereldoorlog als werkkamp is opgeheven. Dat is overigens de vraag, want er zijn ook getuigen die melden dat het tot in 1944 als werkkamp in functie is gebleven. Zowel Johan Eggink (van de Eenkhoorn) als Gatjan Meuleveld (van de nabij gelegen boerderij De Pierik) melden bijvoorbeeld dat er nog een tijdlang Scheveningse vissers hebben gebivakkeerd die werkloos waren geworden door de activiteit van Duits duikboten en oorlogsschepen op de Noordzee. Volgens Eggink heeft De Pierik ook dienst gedaan voor de Nederlandse Arbeidsdienst, Nederlandse jongemannen die hier in dienst traden werden niet opgeroepen voor de Arbeitsdienst in Duitsland. Volgens Eggink maakten de Duitsers in 1944 een eind aan deze constructie.
Ook De Zomp blijft aanvankelijk zijn functie als werkkamp behouden, tot begin 1942. In de loop van dat jaar doet het vervolgens enige maanden dienst als werkkamp voor Joden, een soort mini-concentratiekamp om Joodse burgers bijeen te brengen om ze te gelegener tijd gemakkelijk op transport te kunnen zetten (via Westerbork) naar de vernietigingskampen in Oost-Europa. Een luguber stukje historie waarover vrijwel niets bekend is gebleven en waarover ook maar heel weinig te achterhalen is, zo is gebleken. Het is te danken aan het speurwerk van Wim Bluemers en van Bert Leuverink dat er toch iets over deze zwarte bladzijde aan het licht is gekomen.

Concentratiekampjes
In Nederland ontbrak het de Duitsers aan grote verzamelcentra voor Joden, zoals dat elders (met name in oostelijk Europa) wel het geval was. Omdat men toch de behoefte had aan een zekere concentratie en overzichtelijkheid werd na een vergadering op 10 oktober 1941 door de Duitse rijkscommissaris Seyss-Inquart besloten om een aantal bestaande werkkampen voor dat doel in te richten. Werkloze Joden (en dan de mannen met name, de meeste waren werkloos gemaakt door de Duitse ‘Arbeitsverbote’ omdat in de meeste functies alleen nog plaats was voor ‘ariërs’) moesten zich vanaf begin 1942 melden in de daarvoor gereserveerde Joodse werkkampen. Door de Joden zelf werd de maatregel aanvankelijk nog redelijk positief begroet, want tewerkstelling in een Nederlands werkkamp betekende in ieder geval geen deportatie naar de kampen in Duitsland of nog verder oostwaarts. Had men van de achterliggende gedachte van de Duitsers geweten dan was het wantrouwen waarschijnlijk een stuk groter geweest.
Eind september 1942 telde men in ons land 42 van dergelijke Joodse werkkampen (dat aantal noemt ook Lou de Jong in ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’), waarin in totaal 5242 mannelijke Joden waren samengebracht. Vooral in Drente (13) en Overijssel (10) waren er nogal wat te vinden, maar ook Gelderland telde er verscheidene. Thuis zaten in 3911 huishoudens nog eens 8877 familieleden. De Duitsers hielden van een degelijke administratie, dat is duidelijk.

Augustus 1942
Wanneer de Zomp als Joods werkkamp werd ingericht is niet geheel duidelijk. Bluemers schrijft dat Nederlandse SS-ers er het roer overnemen in februari 1942. Die informatie komt van mevr. Roerink-Eggink, getrouwd met kantinebeheerder Willem Roerink. Alle Nederlandse arbeiders en personeelsleden werden in die maand zonder pardon tewerkgesteld in Duitsland, waaronder Willem Roerink. Hij zou pas in mei 1945 te voet terugkeren uit Osnabruck.
Waarschijnlijk klopt deze informatie niet. Tot de schaarse documenten die bewaard zijn gebleven in het gemeentearchief uit de oorlogsjaren1 behoort een brief van loco-burgemeester Van Heeckeren van Kell aan de Heide-Maatschappij, daterend van 16 mei 1942. Daarin schrijft hij: ‘Naar aanleiding van Uw schrijven, dd. 15 dezer no. 4909 verzoek ik U mij te willen mededelen voor welke werkzaamheden voor deze gemeente het voorschot van f. 700,- noodig is. Volgens de hier aanwezige gegevens wordt voor de gemeente al sinds eenige maanden niet meer door de werkverschaffing gewerkt, terwijl begin Januari j.l. nog een voorschot groot f. 1500,- werd verleend.’
Medio mei 1942 is de Zomp (en blijkbaar ook De Pierik) dus al enige maanden niet meer als werkkamp in gebruik, maar er is geen sprake van dat het dan al als opvangkamp voor Joden in gebruik is. Het is blijkbaar nog steeds de Heide-Maatschappij die de scepter zwaait. Op 27 april wordt bovendien melding gemaakt van een sollicitatie bij het gemeentebestuur naar de functie van kantinebeheerder. Bij de werkkampen was de gemeente verantwoordelijk voor de invulling van die functie, maar omdat verder alle details ontbreken is niet duidelijk of het hier om een functie gaat bij De Zomp of bij De Pierik.
Uit het boek van J. Presser (‘De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945’) valt op te maken dat de eerste acht kampen begin 1942 in Groningen en Drente werden ingericht. Begin april is volgens hem sprake van elf kampen, zonder dat hij daarbij de namen noemt. Het is aannemelijk dat De Zomp tot de overige 31 kampen behoort die later in het jaar in gebruik zijn genomen. Waarschijnlijk is dat pas in de loop van augustus geweest, misschien pas aan het eind van die maand. Dat kan worden afgeleid uit de notities van overlevenden (we komen daar verderop nog op terug) en het sluit ook aan bij het gegeven dat een naburig kamp in de Wittebrink (tussen Zelhem en Hummelo) eveneens eind augustus 1942 in gebruik is genomen. Het geheugen van de getuigen die we hebben benaderd laat het op dat punt afweten.

Eén soeplepel per dag
Uit verklaringen van gedetineerde Joodse arbeiders blijkt dat de omstandigheden in de kampen aanvankelijk nog redelijk menselijk zijn, al zal het leven in de eenvoudige barakken in combinatie met de zware lichamelijke werkzaamheden verre van ideaal zijn geweest. Zeker omdat de eerste maanden van 1942 zeer koud waren. De voedselverstrekking was in die maanden evenwel nog behoorlijk royaal.
Uit citaten van Joodse arbeiders uit het kamp in Vledder (opgenomen in het boek van Presser) blijkt evenwel dat begin april 1942 de rantsoenen drastisch werden verlaagd tot ‘80 gram boter per week, ongeveer 200 gram brood per dag en 1 soeplepel warm eten per dag, hetgeen soms meer lijkt op een vloeibare massa, dan op een stevig maal’. En: ‘bij een zeer zware arbeidsdag van 9 1/2 uur is het niet om uit te houden’. Verder: ‘de behandeling en de vrijheid is tot het uiterste beperkt... het loon is hopeloos, het bedraagt in doorsnee f 10,- tot f 11,-. Ook de hygiëne laat veel te wensen over’. Een Joodse arbeider uit het kamp Echten heeft ‘zijn gezin in geen vijftien weken gezien en weet zich geen raad van de honger.’ Tot zover Presser. Van lichamelijk geweld lijkt dan (april 1942) nog geen sprake, maar de situatie zal per kamp wel verschild kunnen hebben.

Proclamatie
Veel arbeiders krijgen in het begin via kennissen en familieleden met grote regelmaat pakketten toegezonden met allerhande levensmiddelen en kleding. In Lievelde, waar een soortgelijk Joods werkkamp was, had de postbode er een speciale driewieler voor nodig om alle post en pakjes naar het kamp te brengen. Zo schrijft Godfried Nijs in een artikel in ‘de Lichte Voorde’ (nr. 31, pag. 31). Ook van omwonenden krijgen de kampbewoners nog wel eens het een en ander in handen gedrukt. En wie zich ziek voelt kan nog eenvoudig dispensatie krijgen voor het zware werk. Wanneer de NSB-burgemeester Lamers in Lichtenvoorde samen met een Duitse functionaris een bezoek brengt aan het kamp in Lievelde klaagt de laatste dan ook dat het meer op een sanatorium lijkt dan op een werkkamp. Reden om alle wegen rond het kamp af te sluiten en de kantoorhouder van de PTT opdracht te geven om alle pakketten retour te zenden. En aan het gemeentehuis in Lichtenvoorde wordt de volgende proclamatie aangeplakt:

De Directie van den Rijksdienst voor de Werkverruiming
Vestigt er onze aandacht op, dat het door de Duitsche
Autoriteiten ten strengste is verboden om aan Joodsche
Arbeiders, gehuisvest in werkkampen van voornoemde Dienst,
Extra levens- en genotmiddelen te doen toekomen. Ook bij
Eenig ander contact stelt men zich aan groot gevaar bloot.
De aan de Joodsche kamparbeiders toegestane levens- en
Genotmiddelen worden hun in de kampen verstrekt overeenkomstig
De daartoe door de bevoegde instanties getroffen maatregelen.
Elke extra-verstrekking hierbuiten is verboden.
In de praktijk blijkt echter nog steeds, dat door
Verschillende personen uit de burgerij met dit verbod geen
Rekening wordt gehouden en dat langs allerlei wegen toch
Wordt gepoogd, extra levens- en genotmiddelen aan de Joodsche
Kamparbeiders te zenden.
Voornoemde directie wenscht er in het belang van de
Betrokken personen uit de burgerij met nadruk op te wijzen
Dat zij zich, zoowel wanneer het geschenken, als wanneer
Zij voortgaan met het verrichten van handelingen, welke
Tegen het bovenbedoelde verbod indruischen.

Ein Schwabe überlebt
Of eenzelfde of soortgelijke proclamatie ook in Ruurlo aangeplakt is geweest is niet bekend, maar het is niet uitgesloten. In ieder geval wordt de omgang met de joden in de Zomp ook hier verboden en de post wordt eveneens teruggestuurd naar de afzenders. Geen nood: in Ruurlo fungeert de manufacturenwinkel van mevr. Reina Wijler-Kropfeld (aan het begin van de Dorpsstraat tegenover Avenarius) als alternatief verzamelpunt voor binnenkomende post. Dat blijkt uit de beschrijving van Arnold Erlanger in zijn boek ‘Ein Schwabe überlebt Auschwitz’. Daarin vertelt hij dat ’s morgens vroeg tegen 7 uur op weg naar hun werkzaamheden twee van de arbeiders bij mevr. Wijler de binnengekomen post ophaalden en tegelijkertijd uitgaande brieven afgaven. De Nederlandse politieman die de arbeiders als bewaker begeleidde keek daarbij steevast even de andere kant op, vermeldt Erlanger. Wie deze Nederlandse politieagent was is niet bekend. De werkzaamheden bestonden volgens sommigen uit het kappen van dennen en het graven van sloten in het bosgebied rond de Zeven Heuveltjes, een andere getuige (Andriesse, zie hierna) heeft het over het verbeteren van het talud van de Baakse Beek.
De exacte passage in het boek (bldz. 46-47) luidt als volgt: ‘In Ruurlo lebte eine gewisse Frau Weijler-Kropveld. Wenn wir dort morgens gegen 7 Uhr vorbeimarschierten, schlichen sich unser Kapo Hess, ein deutscher Jude, sowie ein anderer Gefangener namens Süβkind in die Hütte der Frau und deponierten dort von uns geschriebene Briefe. Gleichzeitig holten sie Briefe, die Familien und Freunde uns an diese Adresse geschickt hatten. Der holländische Bundespolizist schaute derweil stets weg.’
Erlanger was een Jood, afkomstig uit het dorpje Ichenhausen in Schwaben. Met het doel om zo snel mogelijk naar Palestina te emigreren arriveert hij in februari 1942 in Enschede. Daar is een ‘haschara’ gevestigd, een soort school waar de beoogde emigranten eerst een handwerk leren, zodat ze zich als pionier in Palestina een bestaan op kunnen bouwen. Om de opbouw vorm te kunnen geven had het land in opbouw behoefte aan vakmensen die wisten hoe je de handen uit de mouwen moest steken. Erlanger volgt in Enschede een opleiding als boerenknecht en later als smid (bij smid Abbink in Usselo), maar in mei 1940 wordt hij ook daar ingehaald door de gebeurtenissen.
Aanvankelijk gaat het leven in Enschede zijn gewone gang, tot Erlanger op 27 augustus 1942 plotseling opdracht krijgt om zich te melden op de Zomp in Ruurlo. Ook hij behoort tot diegenen die de oproep aanvankelijk nog optimistisch begroet: “Zuerst dachten wir, dass das eine gute Möglichkeit bedeutete, in Holland bleiben und für die holländische Regierung arbeiten zu können, statt in den Osten transportiert zu werden. Doch es dauerte nicht sehr lange, bis wir herausfanden, dass dies nur ein Trick der Nazis war, Juden an einen Sammelplatz zu holen. Da es in Holland keine Gettos gab, war es für die Deutschen schwierig, die über vielen kleinen Dörfer verteilten Juden zu sammeln.’

Als een beest
Erlanger maakt ook melding van het feit dat de kampcommandant (dat is medio september 1942, een naam noemt hij niet) voor een cursus naar het kamp in Ommen moet. ‘Um zu lernen, wie man Juden behandelt’, zoals zijn plaatsvervanger aan Erlanger meedeelt. Bluemers meldt abusievelijk dat de kampcommandant op cursus is geweest in Steenwijk, maar voor het overige vertoont de situatie grote overeenkomst. Bluemers beschrijft in zijn artikel met name de lotgevallen van de gebroeders Benno en Jacob Elkus uit Denekamp en uit de mond van Benno Elkus tekent hij op: ‘Hij kwam terug als een beest, hij schold, vloekte, tierde en doorzocht al onze kamers op het bezit van etenswaren. Alles wat hij vond, van kaas tot kool, werd in één pan gekookt en die grijze drab moesten wij eten.’
Ook Erlanger is de klos. Op een dag in de laatste week van september, wanneer Kapo Hess zich ziek heeft gemeld en Erlanger zijn plaats inneemt om de post bij vrouw Wijler op te halen, worden ze bij terugkomst in de groep opgewacht door de Duitse kampcommandant. ‘Durch Verrat erfuht er (de kampcommandant), dass wir Briefe empfingen und schrieben, was strengstens verboten war. Unser illegales Postamt flog auf! Es geschah an einem Tag, an dem der Kamerad, der regelmäβig die Post holte, krank war und nicht zur Arbeit gehen konnte. Ich übernahm seine Aufgabe und machte mich mit Süβkind auf den Weg, die Post zu holen. Ehe wir zurück waren, tauchte unerwartet der Kommandant auf, beschimpfte uns als “Saujuden” und befahl, ins Lager zurückzukehren. Dort ordnete er an, Süβkind und mich ins KZ Erika in Ommen zu schicken.’

‘Zeremonie’ in Ommen
Erlanger suggereert dat de genoemde Kapo Hess de verrader is. Kapo is de benaming voor een Joodse medegevangene die door de Duitsers als leider over zijn lotgenoten werd aangesteld. Om een wit voetje te halen bij de Duitsers verraden ze vaak hun eigen mensen en melden clandestiene activiteiten aan de Duitse kampleiding.
Erlanger wordt dus afgevoerd naar Ommen en dat het regime daar een stuk brutaler is dan in Ruurlo zal hij gauw merken. Niet omdat het zulke verheffende literatuur is, maar gewoon om te illustreren hoe diep mensen kunnen zakken in hun bejegening van medemensen hier zijn beschrijving: “Die Ankunft in Ommen war der Beginn meiner Reise durch die Hölle. Am Abend des 3. Oktober wurden Süβkind und ich auf den ovalen Innenhof gebracht, um den Empfangsritus des Lagers über uns ergehen zu lassen. Alle Gefangenen, die SS-Männer und der Kommandant waren um den Platz herum versammelt. In der Mitte des Platzes lag Sand. Süβkind und mir wurde befohlen, an einigen ‘amüsanten Spielen’ teilzunehemen. Wir wurden aufgefordert, den einen Zeigefinger in den Sand und den anderen ins Ohr zu stecken und uns dabei mit unserem Körper um den Finger im Sand zu drehen. Die Deutschen nannten das ‘Grammophonplattendrehen’. Der Lagerchef in Ruurlo hatte uns von diesem S’Spiel’ schon erzählt. Nach ein paar Umdrehungen wurde einem schwindlig und man fiel zu Boden, was die Absicht war. Dan mussten wir mit den Ellbogen am Boden robben ohne die Knie zu benutzen. Dabei stand Süβkind auf meinem Rücken, danach wechselten wir die Positionen: Er musste robben und ich musste auf seinem Rücken stehen. Während ich auf dem Boden lag, wurde ich von einem SS-Mann so getreten, dass eine meiner Rippen brach. Mein ganzes Gesicht war mit Sand bedeckt, dieser brannte regelrecht in meinen Augen. Mein Gesicht schwoll an, ich konnte kaum noch meine Augen öffnen. Ich kann mich nicht daran erinnern, wie lange diese ‘Zeremonie’ gedauert hat, aber ich erinnere mich genau daran, dass sieses am Abend des jüdischen Torafests stattgefunden hat.’
Later in die laatste week van september wordt Erlanger van Ommen doorgestuurd naar Westerbork. Daar weet hij zijn verblijf te rekken tot 14 september 1943, wanneer hij wordt getransporteerd naar Auschwitz. Als een van de weinigen weet hij als door een wonder ook deze hel, ondanks alle vernederingen en mishandelingen, te overleven en is hij in staat geweest de gruweldaden na te vertellen.

‘Aan een zijden draad’
Het verhaal van Erlanger wordt tot in detail bevestigd door een andere getuige, Hans N. Andriesse, die eveneens in kamp De Zomp geïnterneerd is geweest alvorens hij via Westerbork werd afgevoerd naar een van de kleinere werkkampen van de Duitsers in het zuiden van Polen. Hij weet de erbarmelijke omstandigheden hier te overleven en wordt in februari 1945 door de Russen bevrijd. Hij behoort tot de eerste getuigen die door Lou de Jong na de oorlog worden gehoord over hun lotgevallen gedurende de oorlog. ‘Hij had een scherp geheugen en was een goed waarnemer geweest’, zegt De Jong over hem. In 1978 legt Andriesse zijn ervaringen vast in het boek ‘Aan een zijden draad’.
Andriesse begint zijn boek als volgt: ‘Het is 31 augustus 1942, koninginnedag, maar er wapperen geen oranje, geen rood-wit-blauwe vlaggen.’ En verderop: ‘De zon schijnt fel die dag in een helder blauwe hemel. Op een stoffige landweg in de Gelderse Achterhoek loopt een groepje mannen dat zojuist met de trein is aangekomen.’  De mannen zijn op weg naar kamp De Zomp, begeleid door marechaussee-agenten. ‘Ze komen van alle kanten, uit steden en dorpen, de mannen die deze maanden in opdracht van de bezetter naar de diverse voormalige en voor de ontvangst van de joden gereedgemaakte werkverruimingskampen, waarin voorheen de werkelozen waren ondergebracht, getransporteerd.’
Andriesse is dan 24 jaar en werkzaam geweest als technisch tekenaar bij Heemaf in Hengelo (Ov). Blijkbaar heeft hij de oproepingskaart ergens begin augustus gekregen, want nadat hij deze had verscheurd heeft hij eerst nog enkele weken ondergedoken gezeten bij de familie Hilbrink in Borne. Als het gerucht echter de ronde doet dat in zo’n geval de ouders opgepakt zullen worden meldt hij zich alsnog. Over het kamp en de omstandigheden schrijft hij: ‘De Zomp, het kamp waarin wij terechtkomen, blijkt niet een van de beste Nederlandse werkkampen te zijn. Lichten in de meeste van die kampen de ‘kampcommandanten’ de hand met de regels die hen voor de nieuwe kampbewoners zijn uitgereikt, onze commandant wenst daar strikt de hand aan te houden. Eens in de veertien dagen mogen we een briefkaartje schrijven; niet met de kantinebeheerder spreken; we moeten van het plankier af en salueren als de kampcommandant, voormalig korporaal-kok, ons passeert; we mogen geen pakjes van thuis of vrienden ontvangen. Maar dat laatste doen we toch, en ons briefverkeer is ook veel frequenter dan de kampcommandant vermoedt.’

De nachtwaker
En dan vertelt ook Andriesse het verhaal van mevrouw Wijler-Kropfeld. ‘Aan de rand van Ruurlo woont mevrouw Wijler-Kropveld. Haar huis ligt tegenover hotel Avenarius aan een kruising van wegen in de schaduw van lommerrijk geboomte. ’s Ochtends, als we zo tegen zevenen naar het werk marcheren, passeren we haar huis. Het werk bestaat uit het onder regie van de Heidemaatschappij verbeteren van het talud van de Achterhoekse bossen doorstromende Baakse beek, waarbij we meer op onze schoppen leunen dan ongetraind met een volgeladen kruiwagen over een plankenstraat balanceren. Vlak bij het huis van mevrouw Wijler gekomen lopen twee van ons groepje onder bescherming van de schemer van het groepje weg, de zijdeur in van het huis, leggen onze te verzenden brieven binnen neer en pikken een mand op waarin de naar dat adres gezonden pakjes en post van onze dierbaren zijn gedeponeerd. De voordeur van de textielwinkel uit, en in de schemer vloeit de mand met zijn dragers met het groepje samen, door de circa zestig man in hun midden koesterend en beschermend omsloten. Op het werk aangekomen wordt de inhoud verdeeld, de post gelezen, en verscholen onder de bomen worden de etenswaren op een vuurtje gewarmd en genuttigd. De opzichter van de Heidemaatschappij vindt alles goed, mits we maar niet onder de tien cent per uur komen, af te meten aan de hoeveelheid zand die wordt verzet. Hij is ook degene die ’s avonds de mand weer naar het huis terugbrengt.’
Dat gaat goed tot de laatste week van september, de kampcommandant (een Nederlander overigens) is dan net zoals Erlanger schrijft naar Ommen om ‘het behandelen van joden’ te leren. Volgens Andriesse is de nachtwaker degene die hen verraadt. Deze komt hen elke morgen op weg naar huis tegen en heeft de plaatsvervangend commandant blijkbaar getipt. ‘Nog zijn onze lotgenoten met de mand niet in ons midden teruggekeerd of van zijn schuilplaats achter de bomen springt de plaatsvervangend commandant te voorschijn, en een voorproefje gevend van wat ons in Duitsland te wachten staat, scheldt hij ons hard schreeuwend in het Duits uit voor alles wat in die tijd in die kringen gebruikelijk was.’ Aan de dragers van de mand deelt hij rake klappen uit en ook Kapo Hess krijgt het zwaar te verduren. Anders dan bij Erlanger heeft deze zich dus niet ziek gemeld, maar is bij het gebeuren aanwezig.

Kapo ontsnapt
De nachtwaker krijgt opdracht om de groep terug te brengen naar het kamp en daar blijkt de kampcommandant ook net terug te zijn van zijn cursus in Ommen en volleerd in het behandelen van joden. ‘En dat laat hij zien ook’, merkt Andriesse op. ‘Urenlang staan we onder zijn geschimp voor zijn woonbarak. En hij heeft in Ommen een leuk spelletje geleerd. Grammofoonplaatdraaien. Gebukt, met de wijsvinger van de ene hand op de grond gedrukt tussen je voeten en de wijsvinger van de andere hand in het oor, en dan draaien. Daar word je duizelig van en dan val je, maar dat is ook de bedoeling.’
Als Bluemers in zijn artikel beschrijft hoe de genoemde SS-ers ‘op beestachtige wijze huishouden onder de Joden die er dan verblijven’ moet dat naar alle waarschijnlijkheid duiden op deze episode. Hij schrijft ook: ‘Het gehuil van de mishandelde Joden was bij de familie Eggink (op ruim honderd meter afstand) te horen’. De buurtbewoners van het kamp die wij hebben gesproken kunnen zich iets dergelijks niet herinneren, maar we twijfelen er niet aan dat dit juist moet zijn. Want getuigen zijn er wel degelijk geweest, schrijft ook Andriesse. ‘Ver weg langs de weg naar het dorp verzamelen zich enkele Ruurlo’ers en zien het schouwspel aan. Het geschreeuw van de kampcommandant klinkt hen luid tegemoet. Ze zijn verontwaardigd en laten dat later de commandant ook merken als hij in het dorp komt om in een cafeetje daar zijn borrel te drinken. Hij moet zijn borrel maar elders halen.’
Andriesse beschrijft ook dat de dragers van de mand met post de volgende dag worden afgevoerd naar Ommen. Hij spreekt van Lange en Süsskind, waarbij hij in de plaats van Lange waarschijnlijk Erlanger bedoeld. Volgens Andriesse is het ook de bedoeling geweest dat Kapo Hess naar Ommen zou worden afgevoerd, maar deze is er ’s nachts tussen uit geknepen. Ook met behulp van politiehonden wordt hij niet opgespoord. Het is niet bekend wat er van hem is geworden, maar veel hoop op een goede afloop is er niet. Via internet is er niets te vinden van een Hess die een spoor heeft nagelaten in relatie tot Ruurlo en De Zomp. Daarentegen komen er vier personen in aanmerking die in 1943 in Sobibor om het leven zijn gekomen, plus nog een vijfde die in 1944 in Auschwitz de dood vindt. Dat leert althans een zoektocht via www.yadvashem.org. Intrigerend is dan nog een zesde, Siegfried Hess, geboren in 1896 in Stuttgart, waarvan nooit een spoor is teruggevonden. Deze was bedrijfsleider bij een confectiefabriek in Enschede en dat lijkt op het eerste gezicht een aangewezen achtergrond om als Kapo te fungeren.

Brief vanuit De Zomp
Er is nog een verklaring van een getuige, een ongedateerde brief geschreven door Valentijn Prins, die door Jan Fikken is opgespoord in de archieven van kamp Westerbork. Fikken heeft zich verdiept in de historie van alle joodse werkkampen in ons land en heeft die informatie gebundeld op de website www.joodsewerkkampen.nl. Prins schrijft: 'Zoals jullie zien is het er toch van gekomen en zit ik op moment in Ruurlo. Mijn adres "Werkkamp de Zomp", kamer no. 8, Ruurlo. Het is best prima eten, goede ligging met z'n achten op een kamer. Natuurlijk moet er gewerkt worden, maar dat valt ook wel mee. Je hoeft niet harder te werken dan in je vermogen ligt (…) Ik zit op het moment in de kantine te schrijven. (…) Ik heb kans bij de kampadministratie te komen, tenminste wanneer het geluk me mee is. Het zijn natuurlijk bijna uitsluitend werkloze handarbeiders en werd vandaag gevraag wie daartoe geschikt zou zijn eventueel. Er zijn natuurlijk ook wel werkloze kantoorbedienden bij, zodat ik toch al concurenten heb, ofschoon niet veel. 's Morgens om half zes wordt reveille gemaakt en om zeven uur wordt met werk begonnen. Er is hier volop vleesch bij het eten, ook wordt een heel brood per dag gegeven, dus extra rantsoenen. Het zijn van allerlei slag mensen, maar heerscht er een zeer kameraadschappelijke geest. Om de 14 dagen wordt van vrijdag tot maandag vacantie gegeven, natuurlijk gratis treinkaartje. Nieuws hoor je hier natuurlijk niet, er liggen wel een paar kranten in de cantine, maar niet de Amsterdamsche. Ik zit hier erg onrustig te schrijven, achter me wordt gebiljart en naast me wordt gekaart en aan de andere kaart sjoelbakken ze, terwijl de radio speelt. Er zijn hier douches en is het overal kraakzindelijk. In de cantine kan je voor heel matige prijzen verschillende dingen kopen, een glas goed thee voor 5 cent. Sigaren en sigaretten volop. Het werk valt natuurlijk niet mee. Er wordt een nieuwe Rijksweg aangelegd, dwars door een bosch heen, boomen omhakken, wortels uitpeuteren enz. Mijn buik zal nu wel helemaal verdwijnen, tenminste als ik niet bij de administratie kom.'
Volgens Fikken is de ongedateerde brief van Prins ergens in het voorjaar geschreven, maar dat kan volgens ons niet juist zijn.

Onder het prikkeldraad
Kort na het verraad van het clandestiene postkantoor en de deportatie van Erlanger en Süβkind naar Ommen valt het doek voor werkkamp De Zomp. Op 2 oktober 1942 worden in een landelijke actie alle werkkampen opgeheven en de Joodse arbeiders afgevoerd naar Westerbork. Zogenaamd om herenigd te worden met hun familieleden, die alle op dezelfde dag worden opgepakt en doorgezonden naar dit ‘Durchgangslager’. Nog diezelfde week vinden de eerste transporten plaats richting Auschwitz.
Om zo min mogelijk opzien te baren worden in Lievelde de betreffende joden in de nacht van 2 op 3 oktober om 12 uur ’s nachts naar het station gebracht en daar op de trein gezet. Bluemers meldt op gezag van Benno Elkus dat de Zomp ‘geheel wordt omsingeld door SS-ers met overvalwagens’. Dat gebeurt al de dag ervoor (dat moet dan 1 oktober geweest zijn, de Duitsers blijven overnachten op de Zomp) en voor de gebroeders Elkus is dat een onmiskenbaar teken dat er iets staat te gebeuren. Ze wachten de verdere ontwikkelingen niet af, maar knijpen er tussen uit via een sleuf onder het prikkeldraad die ze al eerder hebben gegraven en ontsnappen dwars over een bietenveld. Blijkbaar zijn zij de enigen die kiezen voor de vluchtoptie. De rest van de 104 Joodse dwangarbeiders (het getal wordt genoemd door Benno Elkus) wordt afgevoerd. Slechts vier van hen zullen de oorlog overleven, waaronder de gebroeders Elkus die uiteindelijk een veilig onderduikadres weten te vinden in Beuningen.

Noodopvang
Vanaf 3 oktober 1942 ligt kamp de Zomp er verlaten bij. Volgens Frits Toevank viel De Zomp daarna onder verantwoordelijkheid van de Ortskommandantuur die op Quisisana (het latere Waterschapsgebouw) was gevestigd. Hij kan dat nog zien aan de kwitanties van De Berkelstreek die hij heeft bewaard.
Hoe lang het kamp leeg heeft gestaan is niet precies bekend, maar vanaf enig moment wordt het ten nutte gemaakt voor de opvang van vluchtelingen en gezinnen die op een of andere manier in de knel waren gekomen. Dat laatste blijkt uit het relaas van mevr. Maria Johanna Westerbaan, woonachtig in Amsterdam maar geboren op 30 juni 1940 in Den Haag als jongste in een gezin met in totaal 7 kinderen. Als haar moeder in mei 1942 overlijdt raakt het gezin in de knel. Vader is niet in staat om het gezin te onderhouden en al snel wordt het gezin uit huis geplaatst.
Op zoek naar haar vroege jeugdherinneringen is mevr. Westerbaan op zoek gegaan naar de gebeurtenissen uit die dagen. Het blijkt dat het gezin op 12 maart 1943 wordt geplaatst op rijkswerkkamp ‘Beltman’ in Barchem. Op 29 april volgt de verhuizing naar ‘De Zomp’ in Ruurlo, waar het blijkens de persoonsgegevens tot 31 oktober 1945 is gebleven. Na omzwervingen elders in het land komt mevr. Westerbaan in de loop van 1946 nog weer terug op de Zomp, weet ze zich te herinneren. Dan om te herstellen van de tbc die ze heeft opgelopen.

Van ziekenhuis tot kwekerij
Het relaas van mevr. Westerbaan maakt duidelijk dat De Zomp in ieder geval al in het voorjaar van 1944 dienst doet als noodopvang. Johan Eggink, geboren in 1931 op de nabijgelegen boerderij Eenkhoorn, maakt melding van een Chinees meisje op het kamp dat bij een Engelse luchtaanval in haar buik wordt geschoten en overlijdt. Wanneer dat precies was durft hij echter niet meer te zeggen.
In de hongerwinter van 1944/45 fungeert De Zomp als opvang voor vluchtelingen, waarbij pater Roeloffzen een van de drijvende krachten is. Aan het eind van de oorlog, vanaf 25 maart 1945, wordt de Zomp noodziekenhuis onder leiding van zuster Sprong. Onder meer krijgsgevangenen en dwangarbeiders die terugkeerden uit Duitsland werden hier opgevangen en behandeld door de artsen De Lind van Wijngaarden en Naeff. Op 1 juli 1945 werden alle noodziekenhuizen weer opgeheven, waaronder ook de Zomp. Als het verhaal van mevr. Westerbaan klopt heeft het kamp echter ook daarna nog een functie gehad bij de opvang van zieken en behoeftigen.
Erg lang kan dat overigens niet meer geweest zijn. Want waarschijnlijk ergens in 1946 wordt De Zomp afgebroken. Eggink werkte nog als kantinehulp op het zusterkamp De Pierik toen De Zomp al werd afgebroken, weet hij zich te herinneren. Het terrein van De Zomp doet daarna dienst als kwekerij en tuinderij van Gerard Beskes. Eggink heeft nog enige tijd als tuinman voor Beskes gewerkt, voordat hij als boerenknecht naar Geesteren vertrok. Volgens zijn herinnering speelde zich dat allemaal af in de loop van 1946.
1  Rond de bevrijding is vrijwel het hele archief van de gemeente uit de oorlogsjaren vernietigd door de latere gemeentesecretaris Warringa. Waarschijnlijk om belastende sporen voor zijn schoonvader Bouwmeester uit te wissen, die gemeentesecretaris was ten tijde van de oorlog en fervent aanhanger was van de NSB.

Literatuur:
- ‘Ein Schwabe überlebt Auschwitz’, Arnold Erlanger (Wiβner-Verlag, Augsburg, 2002)
- ‘Aan een zijden draad’, Hans N. Andriesse (Meulenhoff, Amsterdam, 1978)
- ‘De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945’, J.Presser. Zie ook www.dbnl.org/tekst/pres003onde01
- ‘Enige informatie over de voormalige Ruurlose werkkampen De Zomp en De Pierik’, Wim Bleumers in de Kroezeboom nr. 4 van 1999.
- www.yadvashem.org


Jan Oonk

Historische Vereniging "Old Reurle"
KvK Arnhem nummer 40103401
E-mail: info@oldreurle.nl
Sinds januari 2013 culturele ANBI instelling
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu