Neergestorte vliegtuigen - Old Reurle

Historische Vereniging
"OLD REURLE"
Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Neergestorte vliegtuigen


Veller
19 september 1940

Dodelijke crash in Mariënvelde

In de nacht van 18 op 19 september 1940, een halfuur na middernacht, is Mariënvelde het toneel van het eerste vliegtuig dat tijdens de Tweede Wereldoorlog neerstort op het grondgebied van Ruurlo. Het vliegtuig scheert rakelings over de kerk en stort even verderop neer aan de Beenekussteeg. Het gaat om een Whitley V van de RAF en alle vijf vliegers komen om het leven. Vier van hen worden begraven in Mariënvelde, de vijfde merkwaardig genoeg in Winterswijk.

Nadat Nederland en België door Duitsland zijn bezet richt Hitler zijn pijlen vervolgens op Engeland. Op 10 juli 1940 vliegen de eerste Duitse jagers over het Kanaal en begint de Slag om Engeland. Later volgen ook konvooien met bommenwerpers die vliegvelden en havens bestoken. Als (waarschijnlijk bij vergissing) een woonwijk in Londen wordt getroffen laat Churchill als vergelding Berlijn bombarderen door Engelse bommenwerpers. Sindsdien zijn er met enige regelmaat formaties van geallieerde vliegtuigen boven de Achterhoek te signaleren die richting Duitsland trekken om daar militaire en industriële knooppunten te bombarderen.
Aanvankelijk gaat het om bescheiden aantallen Engelse bommenwerpers die richting Duitsland trekken. Enkele tientallen hooguit per missie, pas in de laatste twee jaren van de oorlog (als ook de Amerikanen zich in de strijd hebben geworpen) gaat het om aantallen van vele honderden. De Engelse bommenwerpers vliegen zonder uitzondering ’s nachts, om een minder makkelijk doelwit te worden voor Duits afweergeschut en Duitse jagers (de Amerikanen vliegen later in de oorlog bij daglicht).
Als antwoord worden door de Duitsers piloten opgeleid als nachtjagers, die gespecialiseerd zijn in luchtgevechten bij nacht. In combinatie met een netwerk van zoeklichten die de geallieerde bommenwerpers in hun lichtbundels vangen wordt zo menig geallieerde bommenwerper uit de lucht geschoten. Zeker als het door technische of andere problemen achterop is geraakt bij de formatie vormt het een kwetsbaar doelwit voor de Duitse jagers. In het begin van de oorlog was de kwaliteit van de bommenwerpers bovendien nog zeer gebrekkig, een missie naar Duitsland was voor de bemanning een koude en ongemakkelijke beproeving, waarbij men zich nauwelijks kon verroeren. Vanwege het nachtelijk duister was een noodlanding meestal geen reële optie als een vliegtuig in problemen kwam, zelfs een sprong per parachute (als men daar nog toe in staat was) vormde meestal een dodelijke gok. Uit ooggetuigenverslagen, zowel van bemanningsleden van Engelse bommenwerpers als ook van ooggetuigen op de grond, is gebleken dat desondanks regelmatig bij nacht wel noodlandingen werden geprobeerd, meestal met fatale afloop.
Het Ruhrgebied vormt als belangrijk industrieel centrum gedurende de hele oorlog een belangrijk doelwit voor de geallieerde bommenwerpers en de Achterhoek vormt dan onvermijdelijk een van de aan- of terugvliegroutes. Gedurende de oorlog zullen dan ook tientallen bommenwerpers een einde vinden op Achterhoekse bodem. Het eerste vliegtuig dat boven onze contreien wordt neergeschoten is een Wellington bommenwerper die op 30 augustus 1940 neerstort in Halle, in de Kappenbulten.


De graven van vier omgekomen bemanningsleden van de N1425. V.l.n.r. Frank Crawford (radiotelegrafist en schutter, 25 jaar), Raymond Carter Dawson (radiotelegrafist en schutter, 22 jaar), Victor Charles Cowley (observator, 27 jaar) en Peter Ernest Eldridge (piloot, 22 jaar). Het vijfde graf rechts is van Gerald P. King, die op 26 juli 1942 omkwam bij een andere crash

Naar Mannheim en Soest
In die bewuste nacht van 18 op 19 september 1940 voert de RAF bombardementsvluchten uit op een aantal Duitse steden. Met name de rangeerterreinen in de steden Krefeld, Mannheim, Soest en Hamm zijn het doelwit. De missie wordt uitgevoerd door zes vliegtuigen van 58 Squadron (Krefeld en Hamm zijn voor hen het doelwit) en een ongeveer even groot aantal van 77 Squadron, die Mannheim en Soest als doelwit hebben. (Het exacte aantal is niet duidelijk. In totaal stijgen er die nacht dertien vliegtuigen van 77 Sqn op, maar een deel daarvan heeft Antwerpen als doelwit). Van elk van beide squadrons gaat er die nacht één vliegtuig verloren. Van 58 Sqn is dat de bommenwerper met serienummer P5008. Deze stort neer vlakbij het Meddose veen bij Wamelink-Tuenteman (boerderij De Kappe) in een bosperceel op de hoek van de Tolkampweg en Leemkuilweg. Bij 77 Sqn gaat het om de bommenwerper met serienummer N1425 van piloot Peter Ernest Eldridge. Dit vliegtuig komt neer in Mariënvelde, dat destijds tot de gemeente Ruurlo behoorde. Even ter toelichting: elk vliegtuig had zijn eigen individuele serienummer, aan de hand waarvan het eenduidig was vastgelegd en beschreven. Daarnaast had elk vliegtuig ook een rompcode, groot en goed leesbaar, zodat vliegers elkaar in de lucht konden herkennen en wisten met wie men te doen had als er zich problemen voordeden.
Zowel 58 als 77 Sqn zijn gestationeerd op de RAF-basis bij Linton-on-Ouse in Engeland, een plaats in het graafschap York, ongeveer 30 km noordoostelijk van Leeds. De tijd van vertrek vanaf Linton-on-Ouse ligt voor de bommenwerpers van 77 Sqn zo rond 21.10 à 21.20 uur Engelse tijd volgens het Operations Record Book (in Nederland was het een uur later). De bommenwerpers van 58 Sqn zijn een uurtje eerder vertrokken.

“… brandend naar omlaag”
Het is rond 22.30 uur als tussen Winterswijk en Groenlo nabij het Meddose veen (iets ten zuiden van de rijksweg tussen beide plaatsen) een vliegtuig neerstort. De Winterswijkse marechaussees Kroeze en Kortbeek worden erop afgestuurd. Leden van de Wehrmacht zijn dan al ter plekke en hebben de omgeving afgezet. Terwijl Kroeze en Kortbeek nog op de plaats des onheils zijn zien ze rond half een die nacht (00.30 uur) weer een vliegtuig brandend overkomen, dat naar hun waarneming op het grondgebied van Lichtenvoorde neerkomt. In hun rapport beschrijven ze het als volgt: “… Toen het omstreeks 12½ uur in den nacht was geworden en wij ons nog ter plaatse bevonden kwam wederom na mitrailleurvuur een vliegtuig brandend naar omlaag, welke vermoedelijk in de gemeente Lichtenvoorde is neergestord.”
Rond vier uur in die nacht krijgen ze een telefoontje van veldwachter Hoekstra in Lichtenvoorde die hen op de hoogte brengt van de lotgevallen van dit tweede vliegtuig. “… Werd door den gem. veldwachter Hoekstra te Lichtenvoorde telefonisch medegedeeld, dat het 2e gevallen vliegtuig bedoeld in dit rapport was neergekomen nabij de R.K. kerk te Achter-Zieuwent gemeente Ruurlo. De inzittenden van het 1e als het 2e vliegtuig zijn waarschijnlijk allen omgekomen. Materieele schade is door het vliegtuig te Achter-Zieuwent toegebracht aan twee boerderijen en de R.K. kerk aldaar door het exploderen van bommen. De bewaking werd aldaar uitgevoerd door Marechaussee te Ruurlo en door den rijksveldwachter Hendriks te Lichtenvoorde.”

In het gedenkboek ‘Zoeklicht op Zieuwent en Mariënvelde’ uit 1995 wordt gesuggereerd dat de N1425 boven Halle-Heide in brand is geschoten, nadat het boven Zelhem in de zoeklichten van de Duitsers terecht was gekomen. Dat lijkt dus niet te kloppen. Meer waarschijnlijk is dat het beschadigde vliegtuig vanaf het Meddose veen een grote boog heeft beschreven boven het grondgebied van Lichtenvoorde, Ruurlo en Zelhem, om tenslotte vanuit de richting van Halle-Heide over Mariënvelde te scheren. Dat een aangeschoten en hellend vliegtuig een cirkel beschrijft is een logisch verschijnsel, het ligt daarbij aan de hoogte en snelheid wanneer het neerstort.
Het vliegtuig komt in ieder geval neer in het weiland van Kolkman (Beerten Willem) aan de Beenekussteeg. Twee nabijgelegen boerderijen lopen ook nog enige schade op. Willem Mombarg is betrokken bij het verzamelen van de stoffelijke resten in kisten. Het vormde voor hem “één van de meest trieste herinneringen aan de oorlog”, en dat valt volledig te begrijpen.

Fatale missie
Bij het toestel dat neerkomt in Achter-Zieuwent (ofwel Mariënvelde) gaat het om een Whitley V bommenwerper met als gezegd serienummer N1425 en behorend bij 77 Squadron van de RAF. Het vliegtuig had als rompcode KN-E en maakte onderdeel uit van de bombardementsmissie op Soest. Het vliegtuig is op de terugweg als het wordt aangevallen door een Duitse nachtjager. Dat er nog bommen aan boord zijn, zoals blijkt uit het rapport van Kroeze en Kortbeek, is heel goed mogelijk. Van de dertien vliegtuigen van 77 Sqn die opstijgen die nacht slagen er twee niet in om hun bommenlast te droppen. De N1425 kan er daarvan een zijn geweest. Dat verklaart meteen waarom juist dit vliegtuig in het vizier komt van de Duitse nachtjager. Door de zware bommenlast is de N1425 niet in staat om de overige vliegtuigen in de formatie te volgen, want die waren dankzij het afwerpen van de bommenlast nu een stuk lichter en dus sneller. Door die lage snelheid en zonder de bescherming van de formatie was de N1425, net als de P5008, een makkelijke prooi voor Duitse nachtjagers die loerden op hun kans. Zowel het vliegtuig in het Meddose veen als in Mariënvelde blijken te zijn neergeschoten door de zelfde Duitse nachtjager, Paul Gildner.

Aan boord van de N1425 bevinden zich vijf bemanningsleden. Piloot Peter Ernest Eldridge (22 jaar), Victor Charles Cowley (observator, 27 jaar), Frank Crawford (radiotelegrafist en schutter, 25 jaar), Raymond Carter Dawson (radiotelegrafist en schutter, 22 jaar) en Peter Owen Williams (co-piloot). De eerste vier zijn in dienst van de RAF, de laatste maakt deel uit van de luchtvloot van de Britse marine (Royal Navy) en is gedetacheerd bij de RAF. Het kwam wel vaker voor dat leden van de Britse marine als waarnemer werden meegestuurd met missies van de RAF. Als onderdeel waartoe Williams behoort wordt genoemd HMS Daedalus. Het gaat daarbij om een luchtmachbasis van de marine in Lee-on-Solent.
Blijkbaar is de N1425 zodanig getroffen dat de bemanning niet meer in staat is om het toestel te verlaten en allen komen om bij de crash. Op zaterdag 21 september daarop volgend worden de omgekomen vliegers (men denkt dan nog dat het om drie personen gaat) begraven op de katholieke begraafplaats in Mariënvelde. Op dezelfde dag wordt ook de bemanning van de P5008 in Winterswijk begraven. Dan nog met militaire eer in aanwezigheid van de Duitse bezetter. Een dergelijke respectvolle bejegening van de omgekomen vijand is echter steeds minder sprake naarmate de oorlog voortduurt en er in Duitsland steeds meer slachtoffers vallen als gevolg van de bombardementen die deze vliegers uitvoeren. Omgekomen geallieerde vliegers worden dan bij voorkeur in alle vroegte begraven zonder aanwezigheid van de plaatselijke bevolking. Al is er in Markelo een geval bekend waar nog in maart 1943 een vijfkoppige Engelse bemanning in aanwezigheid van een Duitse korporaal, de burgemeester, de dominee en andere plaatselijke notabelen wordt begraven. In de kranten wordt er na oktober 1940 in ieder geval geen enkele melding meer gemaakt van vliegtuigen die neergeschoten zijn, van de begrafenis van de bemanning van de N1425 is dat nog wel het geval. Onderstaand verslag is afkomstig uit De Graafschap-Bode van 23 september 1940:

Begrafenis omgekomen Engelsche vliegers te
Achter-Zieuwent.

— Zaterdagmiddag, omstreeks 2 uur, vond
te Achter-Zieuwent op een afgesloten gedeel-
te van het kerkhof de plechtige begrafenis
plaats van de drie Engelsche vliegers, die in
de nacht van Woensdag op Donderdag met
hun bommenwerper, van het type Blenheim,
omlaag waren gestort. Begeleid door talrijke
belangstellenden, waaronder een afdeeling
van de Duitsche weermacht, werd onder de
tonen van een Duitsch militair muziekkorps
de overledenen grafwaarts gedragen. Aange-
komen op het kerkhof werden eerst enkele
treurmarschen gespeeld, waarna een Duitsch
officier het woord nam. Hoewel spreker laak-
te de opdracht van de Engelsche regeering om
hun piloten open steden in Duitschland te
bombardeeren, prees hij toch de moed van
deze vliegers, die hun plichten tegenover hun
vaderland vervulden. Deernis met de nagela-
ten betrekkingen van deze nog jonge mannen
moeten wij hun als soldaten de laatste eer
bewijzen. Hierna nam Ds. Troelstra uit Halle het
woord, die enkele teksten uit de H. Schrift
voorlas en besloot met het bidden van het
„Onze Vader". Door een vuurpeleton werd den
overledenen de laatste militaire eer bewezen.
Diep onder den indruk verlieten de talrijke
aanwezigen den doodenakker. Onder de aan-
wezigen merkten wij o.m. op: De Edelacht-
bare Heer Burgemeester van Ruurlo, Wethou-
der Baron van Heeckeren van Kell uit Ruurlo
en zeereerw. Heeren Pastoors van Achter-
Zieuwent en Zieuwent.

Het bericht duikt zelfs op in de Leeuwarder Courant van 24 september:
ENGELSCHE VLIEGERS TER AARDE
BESTELD
Het A.N.P. meldt:
In den loop van de vorige week zijn in ons
land twee Engelsche vliegtuigen door Duit-
sche nachtjagers naar beneden geschoten.
Zaterdagmiddag zijn de stoffelijke resten
van de bemanningen der Britsche toestellen
ter aarde besteld. Op het kerkhof te Winters-
wijk, waar drie Engelsche vliegers werden
begraven, vormden Duitsche militairen de
eerewacht en het vuurpeloton. Een Ober-
leutnant voerde het woord, terwijl een
dominee eenige bijbelteksten las en het Onze
Vader bad. De drie kisten werden in de
groeve neergelaten, terwijl een Duitsch
muziekkorps het „Nader mijn God tot U"
speelde. Ook te Ruurlo vormde een afdeeling Duit-
sche militairen de eerewacht. Een dominee
sprak naar aanleiding van Psalm 103 een af-
scheidswoord en sloot met het Onze Vader.
Een Oberleutnant bracht hier namens het
Duitsche luchtwapen den drie gesneuvelden
den laatsten groet. Een muziekkorps van het
luchtwapen speelde gewijde muziek.
Er bestond voor de begrafenisplechtigheden
zeer groote belangstelling.

Zoals uit de krantenverslagen blijkt is sprake van drie vliegers, het vierde lichaam is waarschijnlijk niet gevonden. “Na de oorlog, veelal in de jaren 1945-1950, werden de graven onderzocht door de zogenoemde MREU’s, Missing Research & Enquiry Units”, licht Peter Monasso van AVOG (Achterhoekse Vliegtuigen Opgravers Groep) in Lievelde toe. “Als er een lijk ontbrak zoals in Mariënvelde, terwijl wel duidelijk was dat ook een vierde bemanningslid moest zijn omgekomen, dan werd er een vierde grafsteen bij geplaatst. Deze staat dan altijd heel dicht tegen de naastgelegen grafsteen aan, ten teken dat dat eigenlijk een leeg graf is. Dit beleid werd gevoerd om alle nabestaanden zo toch een plaats te bieden die zij konden bezoeken.” Inderdaad staan in Mariënvelde de grafstenen van Cowley en Eldridge dichter bij elkaar dan de overige stenen. Eén van hen is dus waarschijnlijk niet gevonden.
Blijft nog over het mysterie van Peter Owen Williams, de marineman. Hij wordt pas op 26 september begraven en wel op de Algemene Begraafplaats in Winterswijk. Dat blijkt uit een handgeschreven notitie, als aanvulling op een overzicht van begraven geallieerde vliegers in het archief van de gemeente Winterswijk. Daarin wordt ook vermeld dat het lichaam van Zieuwent naar Winterswijk is gebracht.
Het is mogelijk dat Williams pas later is gevonden, niet bij de plaats van de crash aan de Beenekussteeg maar dichter in de buurt van het Meddose veen. Reden waarom men hem als bemanningslid van de P5008 heeft beschouwd. Jan Geerdinck van AVOG in Lievelde heeft echter ooit opgetekend uit de mond van een getuige die in het crashmuseum kwam dat deze P.O. Williams in ’t Goor bij Aalten dood gevonden was naast zijn ongeopende parachute. Williams zou dan nog geprobeerd hebben om te ontkomen aan het naderende onheil, echter vergeefs.

Bemanning
Peter Ernest Eldridge
piloot (pilot)
officier (pilot officer)
servicenummer RAF: 41912
Afkomstig uit Hampstead, London.

Victor Charles Cowley
observatory (observator)
sergeant (sergeant)
servicenummer RAF: 580883
27 jaar
Afkomstig uit Walsall, Staffordshire

Frank Crawford
radiotelegrafist (wireless operator)
sergeant (sergeant)
servicenummer RAF: 620421
25 jaar
Afkomstig uit Bolton, Lancashire

Raymond Carter Dawson
schutter (air gunner)
sergeant (sergeant)
servicenummer RAF: 637484
22 jaar
Afkomstig uit Bolton, Lancashire

Peter Owen Williams
Onderluitenant (sub lieutenant)
HMS Daedalus



Co-piloot Peter Owen Williams (links) in zijn vliegersuniform
(Wim en Peter Rhebergen)

Linton-on-Ouse
Het vliegveld nabij Linton-on-Ouse werd geopend in 1937, in een tijd dat de RAF een snelle expansie doormaakte als reactie op de Duitse herbewapening. Het was een van de circa vijftig nieuwe vliegvelden die in die periode in gebruik werden genomen. Het vliegveld was specifiek ontworpen voor zware bommenwerpers. In de nacht van 10 op 11 mei 1941 werd het gebombardeerd door de Luftwaffe, waarbij de kampcommandant en enkele vliegers omkwamen. In juni 1943 werd de basis overgedragen aan de RCAF, de Royal Canadian Air Force. Na de oorlog kwam het vliegveld in oktober 1945 weer onder bevel van de RAF en het bleef een luchtmachtbasis voor bommenwerpers tot 1957. Sinds dat jaar fungeert het als opleidingsbasis voor nieuwe RAF-piloten en die functie heeft het anno 2017 nog steeds.

http://www.raf.mod.uk/raflintononouse/aboutus/history.cfm


Het beladen van bommenwerpers op het vliegveld Linton-on-Ouse voor een volgende missie
(commons.wikimedia.org)



Commandant Ian Laing draagt in oktober 2016 het commando over de RAF-basis Linton-on-Ouse en de daar gevestigde No 1 Flying Training School over aan zijn opvolger kapitein Keith Taylor

Whitley
De Whitley V was een middelgrote bommenwerper die met name gedurende de eerste oorlogsjaren werd ingezet (tot begin 1942). Hij werd gebouwd door de Armstrong Whitworth fabrieken in Whitley (Coventry). Het vliegtuig was uitgerust met twee Rolls Royce Merlin X motoren met een vermogen van 1145 pk. De Whitley V had een lengte van 21,5 m, een hoogte van 4,57 m en de spanwijdte bedroeg 25,6 m. De topsnelheid (zonder vracht) lag op 357 km/uur, de gemiddelde kruissnelheid lag zo rond de 300 km/uur en de actieradius rond de 2500 km. Aan boord was plaats voor vijf bemanningsleden.
In theorie kon het vliegtuig een hoogte bereiken van 6.000 meter, maar vanwege de slechte verwarming in het vliegtuig kreeg de bemanning dan zeker over langere afstanden te maken met bevriezingsverschijnselen. In de praktijk bleef de vlieghoogte daarom meestal beperkt tot zo’n 3.000 meter. Over langere afstanden bedroeg de maximale bommenlast 2 ton. Vanwege het relatief lichte boordgeschut (één mitrailleur in de neus en vier in de staart) waren de verdedigende mogelijkheden beperkt en werd het alleen ingezet bij nachtelijke acties. In totaal werden er van de Whitley V (met verlengde romp en verbeterde roervlakken) 1656 exemplaren gebouwd en het was daarmee de meest populaire variant van de Whitley.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Armstrong_Whitworth_Whitley


Foto van een Whitley V
(commons.wikimedia.org)

77 Squadron
77 Squadron werd geformeerd als bombardementsunit in juni 1937 op het vliegveld Finningley in Yorkshire. Het squadron verhuisde echter nogal eens, in de acht jaren tot het einde van de oorlog veranderde het maar liefst negen keer van thuisbasis. Na Finningley volgen Driffield (25 juli 1938 – 15 april 1940), Kinloss (15 april 1940 – 4 mei 1940), Driffield (4 mei 1940 – 28 augustus 1940), Linton-on-Ouse (28 augustus 1940 – 5 oktober 1940), Topcliffe (5 oktober 1940 – 5 september 1941), Leeming (5 september 1941 – 6 mei 1942), Chivenor (5 mei 1942 – 5 oktober 1942), Elvington (5 oktober 1942 – 15 mei 1944) en ten slotte Full Sutton (15 mei 1944 – 31 augustus 1945). De reden voor een dergelijk rusteloos bestaan is niet achterhaald. Op Full Sutton eindigde 77 Sqn zijn bestaan als transporteenheid.
Bij het begin van de oorlog maakte 77 Sqn met vijf andere squadrons deel uit van 4 Group, Bomber Command, in de loop van 1942 ging het deel uitmaken van Coastal Command. Aanvankelijk vliegt 77 Sqn met bommenwerpers van het type Whitley III van vliegtuigbouwer Armstrong Whitworth, per september 1939 wordt dat de modernere Whitley V. In oktober 1942 wordt overgestapt op de zware Halifax bommenwerpers in verschillende varianten, omdat de Whitley’s inmiddels te kwetsbaar zijn geworden voor de verbeterde Duitse jagers.
77 Sqn had als motto ‘Esse potius quam vider’ (‘to be, rather than seem’), ofwel ‘zijn in plaats van lijken’. Het logo was een distel. Het squadron had als rompcode KN-, aangevuld met een letter voor de individuele vliegtuigen. Het aantal manschappen dat heeft gediend bij 77 Sqn is niet exact bekend, maar wordt geschat op circa 2.200. Daarvan zijn er 883 omgekomen en nog eens 214 krijgsgevangen gemaakt. Voorwaar een hoge prijs voor de vrijheid.

http://www.raf.mod.uk/history/bombercommandno77squadron.cfm
http://77squadron.org.uk/history/77-squadron-history-1937-1945/


Foto van alle officieren van 77 Squadron, daterend uit juni 1940. Een van hen is piloot Peter Ernest Eldridge van de N1425, maar het is niet bekend om welke persoon het gaat
(http://77squadron.org.uk/history/77-squadron-history-1937-1945/)


Embleem en motto van 77 Squadron
(http://www.raf.mod.uk/history/bombercommandno77squadron.cfm)

Eerder in de problemen
Amper een week voor de crash in Mariënvelde, in de vroege morgenuren van 11 september, waren Eldridge en zijn bemanning betrokken bij een fataal incident op de basis Linton-on-Ouse. Het vliegtuig was de avond daarvoor rond 19.30 uur vertrokken van de basis voor een missie naar Berlijn en zette rond 4.45 in de morgen de landing in. De bemanning is dan al ruim 9 uur in de lucht geweest, om enige indicatie te geven van hoe ingrijpend en intensief een dergelijke opdracht was. Na de landing weet het toestel niet tijdig tot stilstand te komen, schiet van de landingsbaan en boort zich in een tentenkamp in het verlengde daarvan. De bemanning weet het toestel ongedeerd te verlaten, maar in een van de tenten vallen drie dodelijke slachtoffers. Het toestel, de N1431, eveneens een Whitley V, is zodanig beschadigd dat het niet meer te repareren valt.
Tot de bemanning behoorden toen ook al Crawford, Cowley en Dawson. Williams was er op dat moment niet bij, ene Taylor fungeerde op die vlucht als tweede piloot.

http://www.yorkshire-aircraft.co.uk/aircraft/yorkshire/york40/n1431.html

Nachtjager Paul Gildner
De N1425 is neergehaald door de Duitse nachtjager Feldwebel Paul Gildner, die deel uitmaakte van 3./NJG1. Dit onderdeel was op dat moment (sinds 7 september 1940) gelegerd op vliegveld Deelen bij Arnhem. Gildner was geboren op 1 februari 1914 in Nimptsch in Silezië in het tegenwoordige Polen. In 1933 nam hij dienst in het leger, in 1937 stapte hij over naar de Luftwaffe. Hier begon hij zijn loopbaan bij Zerstörergeschwader  1 (ZG 1) en nam als zodanig deel aan de veroveringsoorlogen in Europa en aan de Battle of Britain. In augustus 1940 maakte hij de overstap naar de nachtjacht. Als zodanig heeft hij 48 claims van neergehaalde geallieerde vliegtuigen op zijn naam staan. Hij is daarvoor postuum onderscheiden met het Ridderkruis met eikenbladeren. Bij de meeste vluchten vormde hij een vast koppel met de radiotelegrafist Unteroffizier Müller. In de nacht van 24 op 25 februari 1943 kwam hij om het leven toen hij met zijn Messerschmitt Bf 110 G-4 als gevolg van tijdens een luchtgevecht opgelopen motorschade neerstortte in de buurt van Gilze-Rijen, hij had het op dat moment geschopt tot Oberleutnant. Zijn radiotelegrafist was op dat moment Unteroffizier Heinz Huhn, deze wist het vliegtuig tijdig te verlaten met zijn parachute.

http://ww2gravestone.com/people/gildner-paul/
https://en.wikipedia.org/wiki/Paul_Gildner




Twee foto’s van de Duitse nachtjager Paul Gildner die de N1425 neerschoot in de nacht van 18 op 19 september 1940. Hijzelf kwam om het leven in februari 1943 tijdens een luchtgevecht in de buurt van Gilze-Rijen
(Wim en Peter Rhebergen, http://ww2gravestone.com/people/gildner-paul/)

Overige bronnen:

http://www.rememberjd371.be/pertes77sqd.htm
https://en.wikipedia.org/wiki/HMS_Daedalus_II
http://www.rcaf434squadron.com/happy-valley/
http://www.bombercrew.com/434/LK801.htm
http://bombercrew.com/434/laffin.htm
http://www.rcaf434squadron.com/soderstrom/
http://www.rcaf434squadron.com/mike-laffin
https://en.wikipedia.org/wiki/Mike_Laffin
http://www.achterhoeknieuwsborculoruurlo.nl/nieuws/algemeen/109163/herdenking-bij-graf-canadese-vliegenier-

Rhebergen, Wim en Peter Rhebergen: ‘Vermist boven de Achterhoek’ (Uitgeverij Lunet, Naarden, 1991)

Zoeklicht op Zieuwent en Mariënvelde (1995)

Peter Monasso/AVOG


Jan Oonk
maart 2018


Veller

Semmeltjesdijk

Marienvelde

Overige neergekomen vliegtuigen in Ruurlo

Naast de vier grote bommenwerpers die tijdens de oorlog in Ruurlo zijn neergestort of een noodlanding hebben gemaakt zijn er nog een aantal kleinere vliegtuigen neergekomen. Zowel van Duitse als geallieerde zijde. Over deze crashes is veel minder bekend en ook moeilijk informatie te achterhalen, maar wat we boven tafel hebben kunnen krijgen is samengevat in onderstaand artikel.

Oktober 1940 Brinkmanshoek

Op 10 oktober 1940 stort er ’s morgens vroeg om 7.45 uur in de Brinkmanshoek, bij Meulenveld aan de Karssenbargweg nr. 4 (’t Kemke), een Duits vliegtuig neer, schuin achter de boerderij richting de Kaapdijk. Het gaat om een Dornier 17Z die deel uitmaakt van 7./KG3, dat wil zeggen de 7e Staffel (onderdeel van Gruppe II) van Kampf Geschwader 3. Dit onderdeel was op dat moment gestationeerd op de basis bij St. Truiden in België en had deelgenomen aan de strijd tegen België en Frankrijk en aan de ‘Slag om Engeland’.
Hoe het vliegtuig op de vroege morgen van 10 oktober 1940 boven Ruurlo terecht is gekomen is onbekend. Peter Monasso van AVOG in Lievelde heeft in het verleden meerdere mensen gesproken die getuige zijn geweest van deze crash. Volgens sommigen was sprake van één dode, waarbij ook de bijbehorende details worden vermeld. Vreemd genoeg wordt in een rapport van de burgemeester van Ruurlo, dd. 7-11-1941, desondanks gemeld dat de Marechaussee ter plekke geen stoffelijke resten of bemanningsleden heeft aangetroffen. Het lijkt erop dat de Duitsers de zaak de zaken zelf hebben afgehandeld en de omgekomen vlieger zo snel mogelijk hebben afgevoerd om negatieve publiciteit te voorkomen. Een Dornier 17Z bood plaats aan vier bemanningsleden en waarschijnlijk hebben de overige bemanningsleden het vliegtuig tijdig kunnen verlaten. Verder is er nergens enige informatie te vinden over het neerstorten van een Dornier 17Z op die datum.



De crashlocatie van de Dornier 17Z achter boerderij ’t Kemke
(bron: AVOG/Peter Monasso)

De Dornier was al in 1934 ontworpen als postvliegtuig, waarmee tegelijkertijd ook nog zes passagiers vervoerd konden worden. Vanwege de slanke romp werd het ook wel ‘vliegend potlood’ genoemd. Bij de Luftwaffe was men vooral gecharmeerd van de snelheid en wendbaarheid van het vliegtuig, reden waarom er in 1937 een bommenwerperversie werd ontwikkeld. Het vliegtuig was met een topsnelheid van 410 km/uur sneller dan alle jachtvliegtuigen in die tijd en was door zijn beperkte afmetingen ook een moeilijk doelwit voor luchtafweergeschut. De lengte bedroeg 16 m, de spanwijdte 18 m en het vliegtuig was uitgerust met twee Dornier Bramo 323 motoren. Bij de bemanningen was het vliegtuig eveneens geliefd vanwege de ruime cockpit waarin alle vier bemanningsleden bijeen zaten. Het onderlinge contact was daardoor snel en gemakkelijk. De bommenlast die vervoerd kon worden was echter beperkt (500 kg), waardoor de Dornier 17Z later in de oorlog vooral als jager werd ingezet.


    

Afbeelding van een Dornier 17Z. Vanwege de slanke romp werd het ook wel ‘vliegend potlood’ genoemd
(bron: airfix.com)


Een aantal vliegtuigen van het type Dornier 17Z tijdens hun vlucht
(bron: commons.wikipedia.org)

Jan Oonk en Bert Leuverink, De harmonica bleef vijf jaar stil, (1995)
https://www.backtonormandy.org/component/mtree/air-force-operations/airplanes-allies-and-axis-lost/do-17.html
https://en.wikipedia.org/wiki/Operational_history_of_the_Dornier_Do_17
https://nl.wikipedia.org/wiki/Dornier_Do_17Z

September 1944 Brinkmanshoek

Op 21 september 1944 komt er een Focke Wulf 190 A-8 van de Duitse luchtmacht neer in de Brinkmanshoek, tegenover Kaapdijk 9. Volgens AVOG in Lievelde gaat het om een toestel van JG 54 (Jagd Geschwader 54) en is de piloot er nog in geslaagd om het vliegtuig per parachute te verlaten. Deze komt gewond neer in een bosje nabij boerderij De Kooi aan de Goudvinkendijk 5. Verdere gegevens ontbreken. Het meest waarschijnlijk is dat het toestel deel uitmaakt van Gruppe IV van JG 54, dat in die periode gestationeerd is op het vliegveld Plantlünne, zo’n 20 km ten noorden van Rheine.
De Fw 190 werd door Focke Wulf in 1939 in productie genomen als aanvulling op de Messerschmitts Me 109 waarmee de Luftwaffe vloog. Het ging om een relatief klein eenmotorig en eenpersoons gevechtsvliegtuig met een lengte van 9 meter en een spanwijdte van 10,5 meter. De topsnelheid (op een hoogte van 6 km) lag rond de 650 km/uur, beduidend hoger dan van de geallieerde bommenwerpers. De klimsnelheid bedroeg 13 m/s en het vliegtuig had een actieradius van 800 km. Het was het eerste vliegtuig met luchtgekoelde motoren.
De vliegtuigen werden door de vliegers aangeduid als Sturmböcke, stormrammen. In totaal zijn er zo’n 20.000 exemplaren gebouwd, in een groot aantal verschillende uitvoeringen. Het type Fw 190 A-8 werd in februari 1944 in productie genomen en was voorzien van een extra bepantsering, om beter bestand te zijn tegen het mitrailleurvuur vanuit de geallieerde vliegtuigen. Daardoor was de snelheid en behendigheid echter wel afgenomen, vandaar dat ze zich bij luchtgevechten uitsluitend richtten op de zware bommenwerpers. Tegen de geallieerde jagers die de formaties vergezelden waren ze niet meer opgewassen, daarvoor werden de Focke Wulfs op hun beurt weer vergezeld door conventionele jagers (zoals de Messerschmitt). Afhankelijk van het type bewapening (vier boordkanonnen en twee mitrailleurs) werden van de Fw 190 A-8 nog de varianten R2 en R8 onderscheiden.


Schematische weergave van een opengewerkte Focke-Wulf

http://en.wikipedia.org/wiki/Focke-Wulf_Fw_190

Overige bronnen:
http://www.lexikon-der-wehrmacht.de/Gliederungen/Jagdgeschwader/JG54-R.htm
https://en.wikipedia.org/wiki/Jagdgeschwader_54

Januari 1945 Doornenbrink

In de middag van 14 januari 1945 springt Luftwaffe-piloot Heinz Bake uit zijn Focke Wulf 190 A-8/R2 (werknummer 682820), terwijl zijn vliegtuig neerstort op de Doornenbrink. Hoewel hij met zijn parachute geland is hij wel gewond. Bake is die middag betrokken geweest bij een hevig luchtgevecht boven het oosten van de Achterhoek tussen Duitse en geallieerde jagers. Het is een dramatische dag voor de Duitsers, want naast Bake worden tijdens deze confrontatie nog eens tien Focke Wulfs van dezelfde eenheid uit de lucht geschoten, waarbij vier Duitse piloten om het leven komen. De geallieerden verliezen geen enkel vliegtuig.
Het zijn de nadagen van de oorlog. Sinds de invasie in Normandië begint de Duitse weerstand te wankelen, maar is nog niet helemaal gebroken. De bombardementsvluchten op steden en industriegebieden in Duitsland worden daarom met alle kracht voortgezet en zodra de weersomstandigheden het toelaten trekken grote zwermen vliegtuigen over richting onze oosterburen.
De winter van 1944 op 1945 is koud en guur. Het zal in ons land bekend worden als ‘de hongerwinter’, want met name in het bezette deel van ons land zijn de omstandigheden zwaar. In de grote steden in het westen is groot gebrek aan de eerste levensbehoeften als voedsel en brandstof. Geen kolen, geen gas, geen elektriciteit en nauwelijks eten. Alleen in Den Haag komen die winter al 2.135 mensen om van de honger. Wie daartoe nog enigszins in staat is gaat door weer en wind op voedseljacht naar het platteland.
Januari 1945 begint eveneens verre van aangenaam. De eerste week komt de temperatuur overdag nog iets boven nul, maar in de tweede week is dat niet meer het geval. In de nacht van 11 januari schiet de temperatuur omlaag tot bijna – 15 ºC. Hoewel de absolute hoeveelheden meevallen is bijna dagelijks sprake van enige sneeuw en van een onaangename gure mist.

Twee weken lang blijft het vrijwel stil in het luchtruim boven ons land, want het is geen weer waarbij met succes doelen gebombardeerd kunnen worden. Alleen op 11 januari vertrekt er nog een luchtvloot vanuit Engeland, waarvan echter maar een klein deel doel bereikt. Maar op zondag 14 januari is het, hoewel nog altijd koud, voor het eerst weer droog en helder. Op diverse plaatsen stijgen grote geallieerde luchtformaties op om de Duitsers tot diep in hun thuisland te treffen. Ten noorden van ons land trekt een armada van B-17 bommenwerpers over een breed front tussen Neumünster en Kiel Duitsland binnen. Daarna buigen ze af naar het zuidoosten om in verschillende groepen Maagdenburg en diverse doelen langs de Elbe te bombarderen.
De B-17 bommenwerpers worden ter bescherming vergezeld door wendbare Mustang jachtvliegtuigen. Boven Duitsland ontstaan op verschillende plaatsen zware gevechten met Duitse jagers van het type Messerschmitt Me109 en Focke Wulf Fw190. De Mustangs weten de aanvallen in de meeste gevallen met succes af te slaan. De Amerikanen melden bij terugkeer op hun bases in Engeland het verlies van negen bommenwerpers en zestien jagers. Aan Duitse zijde wordt een aantal genoemd van 78 jagers die verloren zijn gegaan. Dat is 40 procent van het totale aantal dat aan Duitse zijde bij deze luchtslag betrokken was. Het probleem van de Duitsers is niet zozeer dat hun vliegtuigen minder snel en wendbaar zijn dan voorheen, maar dat het ontbreekt aan goed getrainde en ervaren piloten. Een direct gevolg van de aanhoudende verliezen van de Luftwaffe.

Diezelfde morgen richten drie geallieerde squadrons, uitgerust met Spitfires, hun pijlen op het gebied rond het Twentekanaal in de buurt van Hengelo (Ov). Twee Spitfires gaan verloren, de Duitse verliezen lopen op tot acht vliegtuigen van het type Focke Wulf en behorend tot JG1. De meeste worden al neergeschoten terwijl ze bezig zijn op te stijgen vanaf vliegveld Twente.
Tegen het einde van die morgen wordt een Duitse formatie jagers boven de Achterhoek onderschept door een aantal Hawker Tempest gevechtsvliegtuigen van 3 Squadron en 486 Squadron, afkomstig van vliegveld Volkel. De Duitse jagers, alle van het type Focke Wulf Fw 190, behoren tot IV./JG3 (Gruppe IV van Jagdgeschwader 3) en zijn waarschijnlijk afkomstig van vliegveld Gütersloh in de buurt van Bielefeld. In april 1944 is IV./JG3 nog gelegerd op het vliegveld bij Salzwedel, ten noordoosten van Hannover, maar is later dat jaar overgeplaatst naar Gütersloh. Heinz Bake behoort tot de 14e Staffel van JG3.
Boven het oosten van de Achterhoek, in een gebied van Beltrum tot Varsseveld, ontstaat een bitter gevecht op leven en dood. Een gevecht dat al met al verscheidene uren in beslag neemt. Uit het verliesregister van het NIMH (Nederland Instituut voor Militaire Historie) blijkt dat er acht Duitse jagers zijn neergeschoten. Twee piloten komen om het leven, Bake behoort tot de gelukkigen die (zij het gewond) zich per parachute weten te redden. Volgens Peter Monasso van AVOG wordt de staart van zijn vliegtuig afgeschoten door een geallieerde jager.
Heinz Bake schrijft hierover in een brief d.d. 10 maart 1989 (met dank aan Peter Monasso), waarin hij gegevens heeft overgenomen uit zijn Tagebericht: “Die Gruppe, zwölf Maschinen stark, unter Führung von Feldwebel Oskar Bösch, sollte ausfliegende Viermots angreifen. Bevor es jedoch dazu kam, wurden wir von zahlenmässig weit überlegenen feindlichen Jägern angegriffen und, soweit mir bekannt, bis auf Uffz. Rolf Bertoche alle abgeschossen. Die Luftkampfhöhe lag bei etwa 7.ooo m. Ich selbst wurde nach Fallschirmabsprung in ein Lazarett in Bocholt eingeliefert.”
Jochen Prien schrijft verder hierover in zijn boek ‘IV./Jagdgeschwader 3 Chronik des Einsatzes einer Jagdgruppe 1943-1945’ (1996): “Die hier beschriebene Luftkampf , bei dem die Gegner eine Gruppe Mustangs waren, fand über dem deutsch/holländischen Grenzgebiet bei Doetinchem statt und kostete die Gruppe insgesamt zwölf Focke Wulfs, die als Totalverluste abzuschreiben waren; dabei kamen vier Flugzeugführer ums Leben, weitere vier wurden verwundet. Demnach wurde der gesamte Verband im Luftkampf abgeschossen.  Anhand der vorliegenden amerikanischen Unterlagen ist es schwer, die beteiligte(n) Fighter Group(s) zu benennen, insgesamt meldeten allein die Jäger der 8. USAAF an diesem Tage 155 Abschüsse, zu denen die Bomberschützen weitere 31 beisteuerten.
Insgesamt meldete die deutsche Seite an diesem Tage 57 Gefallene und 22 Verwundete Piloten sowie 92 im Einsatz verlorenen Flugzeuge - in Anbetracht der geringen eigenen Einsatzstärke waren dies wahrhaft vernichtende Einbussen.”

De cijfers van geallieerde en Duitse zijde wijken zoals gewoonlijk nogal van elkaar af, de werkelijke aantallen qua verliezen liggen waarschijnlijk ergens in het midden. In ieder geval is wel duidelijk dat het hier om een soort éénzijdige afrekening van geallieerde zijde ging.  Hetgeen Werner Girbig over deze 14e januari 1945 schrijft in zijn boek ‘Start im Morgengrauen’ (1973, bldz. 243) zegt wat dat betreft genoeg: “Trotz aufopferungsvollen und wagemutigen persönlichen Einsatz der Jagdflieger erleidet die Reichsluftverteidigung und die Luftabwehr im Westen eine abermalige, empfindliche Niederlage.  Die mit den Standard-Flugzeugmustern ausgerüstete Tagjagd (Messerschmitt Bf 109 und Focke Wulf Fw 190) hat praktisch ab diesem Zeitpunkt keinerlei Bedeutung mehr.”
Zeker zes Focke Wulfs Fw 190 kwamen in de Achterhoek neer, behalve die van Bake in Ruurlo vielen deze in Beltrum, Vragender, Mariënvelde, Zelhem en Zieuwent. Van vijf van deze Fw 190’s zijn door de AVOG in de vorige eeuw restanten geborgen en worden onderdelen hiervan geëxposeerd in hun museum.


Foto van een Focke-Wulf tijdens zijn vlucht
(bron: commons.wikipedia.org)

http://www.aircrewremembered.com/KrackerDatabase/?q=heinz
http://www.weerstationlosser.nl/index.php?1945TJan.htm
http://en.wikipedia.org/wiki/Focke-Wulf_Fw_190
Sandrina Hadderingh en Jan Oonk, Voor altijd 21, Mr. H.J. Steenbergen Stichting (2015)
John Manrho en Ron Pütz,  Bodenplatte (the Luftwaffe’s last hope), Stackpole Books (2004)
Jochen Prien, IV./Jagdgeschwader 3 Chronik des Einsatzes einer Jagdgruppe 1943-1945, (1996)
Werner Girbig, Start im Morgengrauen, (1973)

Februari 1945 Scheiddijk

In de middag van 1 februari 1945 komt aan de Scheiddijk, iets ten noorden van Tolhutte, een Brits toestel aan de grond. Om precies te zijn in een weiland van Jan H. Reukers op Hulshof (Scheiddijk 30). Het Verliesregister noemt als tijdstip 15.45 uur, de site van cieldegloire 16.30 uur. Het gaat om een Tempest V jachtvliegtuig met serienummer NV681, dat deel uitmaakt van 3 Squadron van de RAF. Het vliegtuig is die middag bezig met een patrouillevlucht boven oostelijk Nederland en is opgestegen vanaf vliegveld Volkel. Een motorstoring dwingt piloot D.J. Butcher ertoe om een noodlanding te maken, hij weet het toestel vervolgens ongedeerd te verlaten. Volgens Sophie IJzereef-Holkenborg, die het vliegtuig neer ziet komen, begeeft hij zich in de richting van een groep arbeiders van de Todt die iets verderop aan de Batsdijk bezig zijn. Op die manier loopt hij echter nietsvermoedend in de armen van de Duitse bewakers. Over zijn verdere wederwaardigheden is niets bekend, maar normaal gesproken zal hij zijn afgevoerd naar een van de Duitse krijgsgevangenkampen voor vliegers. Zijn naam is echter niet te vinden als krijgsgevangene.
3 Squadron wordt aan het begin van de Tweede Wereldoorlog gestationeerd op het RAF-vliegveld Biggin Hill bij Londen (het is onder de naam London Biggin Hill Airport nog steeds operationeel als burgervliegveld). Het squadron vliegt aanvankelijk met gevechtsvliegtuigen van het type Hurricane, later Typhoon en in de loop van 1944 deed de Tempest zijn intrede, allemaal van vliegtuigbouwer Hawker.
De Tempest was een eenpersoons en eenmotorig jachtvliegtuig met een lengte van 10,26 m en een spanwijdte van 12,49 m. De topsnelheid lag op 690 km/uur (het behoorde daarmee samen met de Spitfire tot de snelste jagers van de Engelsen) en de actieradius bedroeg op een haar na 2500 km. Om vijandelijke vliegtuigen te bestrijden had het vliegtuig de beschikking over vier 20 mm kanonnen. Omdat het ook een bescheiden bommenlast van 450 kg kon meevoeren werd het ook wel als bommenwerper ingezet. Het type V is een van de drie uitvoeringen die door Hawker van de Tempest is geleverd. Naast het bestrijden van Duitse jachtvliegtuigen werd de Tempest vooral ingezet bij het onderscheppen van V-1 kruisrakketen van de Duitsers. Ook 3 Squadron was betrokken bij het onderscheppen van V-1’s. Aan het eind van de oorlog, toen de Duitsers steeds verder werden teruggedreven, wordt het squadron gestationeerd op verschillende vliegvelden op het vaste land van Europa, waaronder ook Volkel. Na de oorlog blijft 3 Squadron in Duitsland. In de jaren zeventig vormt Gütersloh de thuisbasis, later verhuist het naar Laarbruch. Als deze basis wordt gesloten keert 3 Squadron in 1999 terug naar de basis Cottermore in Engeland. Sinds 2006 vormt Coningsby de thuisbasis. Het squadron had als motto ‘Tertius primus erit’, ofwel ‘de derde zal de eerste zijn’.


De Tempest V behoorde tot de snelste jagers waarover de geallieerden beschikten aan het einde van de oorlog
(bron: en.wikipedia.org)

http://www.cieldegloire.com/sq_raf_003.php
http://www.3fsquadronassociation.com/about-us/history/
https://nl.wikipedia.org/wiki/Hawker_Tempest

Maart 1945 Vosheuvelweg

Op 13 maart 1945 maakt kolonel Olivier Massart een noodlanding op wielen in een weiland aan de Vosheuvelweg (bij nr. 4 en 6) met zijn Spitfire XVI met serienummer TB297. Massart is Fransman en behoort tot 340 Squadron, een Franse eenheid die onder het oppercommando van de RAF namens het vrije Frankrijk deelneemt aan de luchtoorlog. Massart is begin december 1944 gepromoveerd tot commandant van dit squadron. Het squadron werd vooral ingezet voor het escorteren van formaties bommenwerpers. Tijdens D-Day heeft 340 Squadron gezorgd voor de dekking van de stranden van Normandië tijdens de landing van de geallieerde invasiemacht.

Massart is geboren op 31 oktober 1919 in Bordeaux. Al voor de oorlog, in oktober 1939, meldt hij zich voor een opleiding tot piloot bij de Franse luchtmacht. Hij behoort tot een groep van zestien Franse piloten die na de Duitse inval in Frankrijk uitwijkt naar Marokko, in de veronderstelling dat dit vrij zal blijven. Als de Duitsers daar ook voet aan de grond krijgen vluchten ze in augustus 1940 via Gibraltar naar Engeland. Van de genoemde zestien vliegers hebben er slechts twee de oorlog overleefd, waaronder Massart.
Na zijn opleiding tot piloot in Engeland te hebben voltooid wordt Massart in november 1941 ingedeeld bij het dan gevormde 340 Squadron. Het is een van de squadrons die door de Franse regering in ballingschap onder generaal De Gaulle in het leven zijn geroepen. In tegenstelling tot de marionettenregering onder generaal Pétain waren deze ballingen bereid om de wapens op te nemen tegen de Duitsers. Bij zijn oprichting is 340 Squadron (‘Ile de France’) gestationeerd op het RAF-vliegveld Turnhouse, zo’n 10 km westelijk van Edinburgh in Schotland. Het was de meest noordelijke vliegbasis van de RAF, na de oorlog zou het zich ontwikkelen tot Edinburgh Airport (in 2016 werden niet minder dan 9 miljoen passagiers verwerkt). In het vervolg van de oorlog zal 340 Squadron diverse keren wisselen van thuisbasis. Na de inval in Normandië wordt het overgeplaatst naar het vasteland van Europa. Van 8 februari tot 17 april 1945 is Schijndel de thuisbasis. Massart is dus vanaf de basis in Schijndel opgestegen toen hij in Ruurlo een noodlanding maakte. Hij had er op dat moment al 283 gevechtsmissies opzitten.Il a remporté 2 victoires aériennes homologuées et détruit au sol de nombreux véhicules ennemis, camions, péniches et locomotives.

Op de betreffende 13e maart 1945 is Massart volgens Peter Monasso van AVOG betrokken geweest bij een aanval op het spoorwegemplacement bij Lengerich, iets ten zuiden van Osnabrück. Als begeleiding van Mitchel B-25 en Boston bommenwerpers van 9 USAAF (de Amerikaanse luchtmacht) met name, samen met andere jagers van 340 Squadron. Op de terugweg naar Schijndel raken ze verzeild in een luchtgevecht met twaalf Messerschmitt’s 109 van de Luftwaffe, waarbij het toestel van Massart beschadigd raakt.
In ‘Zoeklicht op Zieuwent en Marienvelde’ maakt B. Venderbosch melding van een zware viermotorige bommenwerper die dezelfde 13e maart 1945 vanaf Zieuwent richting Marienvelde overkomt. Deze is zwaar beschadigd en twee van de vier motoren zijn volgens Venderbosch uitgevallen. Blijkbaar heeft men de bommenlast nog aan boord, want deze wordt, uit veiligheidsoverwegingen mag men aannemen, tussen Zieuwent en Marienvelde gedropt. Daarbij wordt de boerderij van de familie Eijting aan de Kroosdijk getroffen en grotendeels verwoest. Een vrouwelijke evacué komt om het leven, vrouw Eijting raakt gewond. Blijkbaar is de bommenwerper er ondanks alle problemen in geslaagd om de thuisbasis te bereiken, want in de verlieslijsten van het NIMH wordt op die dag geen verlies van een bommenwerper gemeld.

Na zijn noodlanding wordt Massart door de Duitsers gevangen genomen en afgevoerd naar Stalag Luft Barth in Pommeren. Op 13 mei 1945 wordt hij daar bevrijd door Canadese troepen. Massart blijft ook na de oorlog actief binnen de Franse luchtmacht en brengt het uiteindelijk tot de rang van kolonel. Hij wordt vele malen onderscheiden. Bij schietoefeningen op de Franse luchtmachtbasis in Djibouti komt hij op 9 mei 1968 om het leven als hij tijdens het maken van foto’s met zijn camera vanaf de rotsen in zee stort.


Olivier Massart tijdens de oorlog. Tijdens zijn noodlanding in Ruurlo was hij commandant van 340 Squadron
(bron: http://espacedememoire.fr)


Een naoorlogse foto van Olivier Massart. Hij bracht het uiteindelijk tot kolonel binnen de Franse luchtmacht
www.cieldegloire.com/004_massart_o.php

De Spitfire was een eenpersoons en eenmotorig jachtvliegtuig met een lengte van 9,20 m en een spanwijdte van 11,20 m. De latere types konden een maximale snelheid bereiken van ruim 700 km/uur en het maximale vliegbereik bedroeg daarbij zo’n 900 km. Kenmerkende eigenschappen waren zijn stroomlijn, zijn ellipsvormige vleugels en de bolvormige koepel. Dat laatste bood de mogelijkheid voor de piloot om zowel naar beneden, naar boven als in het rond te kijken. Het vliegtuig werd gebouwd door het bedrijf Supermarine, met vestigingen in Westland, Cunliffe-Owen en Castle-Bromwich. In totaal werden er niet minder dan 20.350 exemplaren gebouwde in 272 verschillende varianten. De XVI was een van de laatste versies.
De Spitfire werd vooral ingezet ter bescherming van de formaties zware bommenwerpers op hun missies naar Duitsland. Het was daartoe uitgerust met twee 20 mm Hispano-Suiza HS.404 kanonnen en vier 7,70 mm Browning mitrailleurs. Tijdens de landing van de geallieerden in Normandië werd de Spitfire in combinatie met de andere gevechtsvliegtuigen van de geallieerde luchtvloot gebruikt om het luchtoverwicht te veroveren.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Supermarine_Spitfire


Kenmerkende eigenschappen van een Spitfire waren zijn stroomlijn, zijn ellipsvormige vleugels en de bolvormige koepel, waardoor de piloot tijdens luchtgevechten een vrij en onbelemmerd uitzicht had
(bron: en.wikipedia.org)



Staatsiefoto van een Spitfire
(bron: www.cieldegloire.com/004_massart_o.php)


Piloten van 340 Squadron op weg naar hun vliegtuigen, voor de start van een nieuwe missie
(bron: www.cieldegloire.com/004_massart_o.php)


Een aantal Spitfires tijdens een missie
(bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Supermarine_Spitfire)


http://www.cieldegloire.com/gc_4_02.php
http://www.backtonormandy.org/component/mtree/air-force-operations/airplanes-allies-and-axis-lost/spitfire/4153332.html
http://www.ordredelaliberation.fr/fr/compagnons/les-unites-militaires/le-groupe-de-chasse-_ile-de-france_-1941-1945
http://espacedememoire.fr/20_avril_aile.html
G. H. Bennett, The RAF's French Foreign Legion
John D. Clarke, French Eagles, Soviet Heroes
Zoeklicht op Zieuwent en Marienvelde (1995)

Jan Oonk
april 2018
Historische Vereniging "Old Reurle"
KvK Arnhem nummer 40103401
E-mail: info@oldreurle.nl
Sinds januari 2013 culturele ANBI instelling
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu